
Veel meer is er eigenlijk niet, om te doen en om naar te kijken. Al die andere dingen die ik wel eens gedaan heb… Volleyballen, korfballen (grrr), schermen, tafeltennissen (nou ja, pingpongen), badmintonnen. Tja, en ook nog wel: hardlopen (60 m. sprint), hockey en honkbal op school. Sommige van die dingen vond ik toen wel leuk, maar de meeste niet. Korfbal is wel erg stom. Met schermen stond ik bij een training tegenover de Nederlands kampioen, ene Joska Makk. Hij had me al drie keer geraakt en ik stond nog steeds in de eerste positie. Dat heet geloof ik zo. Tafeltennis is een zenuwengedoe. Bij één van mijn oude baantjes deden we dat wel eens in de pauze. Klaverjassen deden we ook wel. Leuker, maar om dat nou een sport te noemen. Hockey en honkbal vond ik vrij link. Stick tegen je neus. Honkbal tegen je slaap als je niet oplette, omdat de slagmannen de bal vrijwel nooit raakten.
Schaatsen heb ik nooit competitief gedaan. Maar wel allerlei medailles verzameld met toertochten. Na afloop met zo’n ding in je zak genieten van Beerenburg en erwtensoep in de kroeg bij begin- en eindpunt.
Met vrienden heb ik een poosje iedere zondag geoefend op de Uithof. Dat zag er heel anders uit dan nu. Sommigen van die groep dachten dat we voor de Elfstedentocht aan het trainen waren. Ik was wat realistischer. Ik vond het gewoon leuk om te doen. Mijn mooiste tocht was in de Alblasserwaard. Van en naar Kinderdijk. Lang geleden heb ik daar in De Leunstoel al eens over geschreven. Dacht ik, ik kan het stukje nergens terug vinden. Mijn geheugen speelt mij parten. Ik heb het verhaal al zo vaak verteld, dat ik aannam (denk ik) dat ik het wel geschreven zal hebben. Moet ik nog eens een keertje doen. Het is een goed verhaal.
Hardlopen vond ik wel leuk. Niet zozeer om het atletiekonderdeel, maar omdat ik best snel was en dat is met voetballen best handig. En ja, voetballen is mijn sport. Ik was al in de vijftig toen ik mijn laatste wedstrijd speelde. Ik voelde mij Stanley Matthews, al werd er geen Auld Lang Syne gezongen bij mijn afscheid. De laatste jaren van mijn actieve ‘loopbaan’ speelde ik alleen nog maar in de zomeravondcompetitie van Zoetermeer en tijdens sportdagen van mijn werk en eerder natuurlijk het kampioenschap van Verkeer en Waterstaat. We deelden eens een kleedkamer met een ander team. Eén van die lui mopperde tegen een collega dat er ook een doctorandus mee wilde doen in dat team. Maar, zei die man: ‘Gelukkig had hij een vergadering’. In onze groep was niet iederéén doctorandus. Sommigen waren ingenieur of meester in de rechten. We werden nooit kampioen, hadden wel veel plezier.
Met competitievoetbal ben ik rond mijn veertigste gestopt. Ik was altijd aanvoerder van een héél laag elftal en dan moest je bij aankomst in het sportpark proberen elf man bij elkaar te krijgen en bij thuiswedstrijden een scheidsrechter. Te veel gedoe.

Maar kijken is wat anders. Zo heb ik Abe Lenstra nog live zien spelen. Aan het eind van zijn carrière speelde hij bij SC Enschede, één van de voorlopers van FC Twente. En mijn vader kwam uit de buurt van Heerenveen en was fan. Hij vond dat ik ûs Abe eens moest zien, van Zutphen (waar we toen woonden) naar Enschede was wel te doen. En het was de moeite waard.
Jaren later vond Lenstra desgevraagd Cruijff niet zo goed geloof ik. Daar verschilden wij toen al van mening.

En nog steeds: Cruijff is volgens mij de beste voetballer aller tijden. Als ik mij niet ernstig vergis heb ik zijn eerste optreden in een thuiswedstrijd in het eerste van Ajax gezien in de Meer. Hij viel in de tweede helft in. Een openbaring. Wat wás die man snel. En dus dacht ik onlangs naar de nieuwe serie over zijn leven te gaan kijken. Nou ja, wat mij betreft veel te veel pratende hoofden. Laat dus maar.
Ik kijk wel graag voetbal op TV. Maar lang niet alles meer. Ik had altijd zo’n regel. Ik kijk naar interlands met het Nederlands elftal en naar Europese wedstrijden van Nederlandse clubs. En de samenvattingen op zondagavond. Live uitzendingen van willekeurige competitiewedstrijden zijn door de bank genomen dodelijk saai. En je wordt er mee doodgegooid. Zelfs mijn zelfgekozen rantsoen was tot voor kort te veel. Het helpt dat bijna alle Nederlandse clubs zijn uitgeschakeld in Europa. Ik moet ook wat tijd overhouden voor De Leunstoel. Maar ik neem aan dat ik voor het wereldkampioenschap wel voor de bijl zal gaan. Ondanks Infantino.
———-
De beelden van Abe en Cruijffie heb ik gevonden op Wikimedia Commons. Ze staan in werkelijkheid bij het Abe Lenstra stadion in Heerenveen en bij de Johan Cruijff Arena in Amsterdam. What ’s in a name.
De medaille is natuurlijk van de schrijver. Jarenlang bewaard.
