Sporty Spice

Nee, dat was ik bepaald niet. Sport interesseerde mij helemaal niet maar het was op de middelbare school waar ik zat wel een belangrijk onderdeel van het totaalpakket.

Het was een rijkeluisschool, de meeste leerlingen kwamen uit Laren en Blaricum en moesten twee keer per dag een flink eind fietsen, vanaf hun zestiende gingen ze op de brommer natuurlijk. Wat dat betreft hadden mijn zus en ik mazzel. Het buurtje in Hilversum waar wij woonden – ‘Over ’t Spoor’ wordt het wel genoemd – lag op tien minuten fietsen van Het Nieuwe Lyceum, ook wel HNL genoemd. De school bestaat intussen allang niet meer.
Er lagen een paar flinke grasvelden naast het nieuwe, witte gebouw en daar werd, als het weer het enigszins toeliet, volop gesport, hockeyen was favoriet. En met de gymnastiekles gingen we ook vaak naar buiten.
Ik herinner me dat ik voor mijn gevoel eeuwenlang ergens achterin in het natte gras stond met zo’n grote leren handschoen aan te wachten op… Ja, hoe het spel precies in elkaar zat begreep ik niet helemaal. Je kon een bal wijd slaan, dat was dan niet goed geloof ik. Ik sloeg nooit iets goed, dat weet ik wel. Softbal heette het.
Er moest natuurlijk gerend worden naar een honk. ‘Wat loopt ze goed hè’ zei de gymnastieklerares eens bewonderend over een meisje dat heel hard kon rennen.

De lerares had sowieso alleen maar oog voor mensen die goed waren. Ze was een nogal atypische gymlerares, in mantelpak, met gestifte rode lippen, geblondeerde haren en veel rinkelende armbanden. Een heel aardige vrouw, maar net als alle andere gymleraren die ik heb meegemaakt, negeerde ze ons zwakkelingen totaal.
Als er een team gekozen moest worden, had ik medelijden met degene die uiteindelijk toch mij moest nemen. Ik lees vaak dat er mensen vreselijke frustraties hebben over het feit dat ze als laatste gekozen werden, daar heb ik nooit iets van begrepen. Logisch toch als je er niks van bakt, zielig voor degene die jou toch moest kiezen!
Binnen deden we, wat was dat ook weer, handbal, korfbal? Je moest steeds iemand dekken, dat weet ik nog wel: ‘Dekken, dekken!’ werd er dan geroepen.

Nu ik dit zo opschrijf, lijkt het wel alsof ik ongeveer debiel was in die tijd, maar de andere vakken op school kon ik wel volgen. En als er iemand slecht was in Frans, dan werd er extra aandacht aan zo’n leerling geschonken en desnoods stuurden je ouders je op bijles. Maar als je niet goed over een bok kon springen, dan had je pech gehad. Absurd.

Dat dat inderdaad absurd was realiseerde ik me pas toen ik jaren later een artikel over dat verschijnsel las in Vrij Nederland. Gymnastiek ‘telde’ niet voor het eindexamen dus wat gaf het als je daar slecht in was. Dat je daardoor iedere keer een paar vervelende en gênante en vooral nutteloze uren beleefde interesseerde niemand iets. Ik hoop van harte dat dat nu wat verbeterd is. Deze tijd, waarin onze troetelwetenschapper Erik Scherder, die toch over de hersenen gaat, niet moe wordt te benadrukken dat bewegen belangrijk is. Kinderen moeten bewegen, ook voor betere hersenprestaties.

Waarom ik trouwens zo slecht was in gymnastiek weet ik eigenlijk niet, ik zat toen ook op ballet en dat ging prima. Het had waarschijnlijk vooral met interesse te maken.

Later in mijn leven heb ik toch nog plezier gekregen in een sport, en wel petanque.
Jeu de boules noemen de meeste mensen het, hoewel dat eigenlijk een verzamelnaam is voor verschillende balspellen. Overigens wordt het ook vaak een spel genoemd, geen sport, maar daar is het laatste woord nog niet over gezegd. Je hoeft voor petanque in ieder geval niet jong, sterk of zelfs helemaal gezond te zijn. Dat maakt het een zeer democratische sport.

Eind jaren zeventig boulden wij – laten we het voor het gemak maar gewoon boulen noemen – een eind weg op het Museumplein in Amsterdam. Letterlijk een eind weg, want het Museumplein was groot en had een ideale ondergrond van grint. Niet te vlak, niet te heuvelachtig, precies goed.
(Voor de duidelijkheid, ik heb het nu niet over het gedeelte met gras dat voor demonstraties en dergelijke gebruikt wordt, dat gedeelte was er in de jaren zeventig van de vorige eeuw ook nog niet.)

Tegenwoordig is het grootste deel van ‘ons’ deel omgebouwd tot basketbalvelden, speeltoestellen, een vijver en niet te vergeten skatebanen. Maar er wordt op het grint nog steeds gespeeld met de ijzeren kogels.

Wij, een groepje twintigers dat eigenlijk verder niets uitvoerde, speelden rustig van twaalf tot zes uur, alsof we oude Zuid-Franse mannetjes waren.
Uitsluitend in de zomer, het moet niet te ver onder de twintig graden zijn als je speelt, je staat ten slotte veel stil en krijgt gauw koude handen van die metalen ballen.
Wij hebben op een gegeven moment zelfs een club opgericht en gingen officiële toernooien spelen. Wat wij in onze Amsterdamse arrogantie eerst niet wisten was dat er in andere delen van Nederland namelijk ook jeu de boules werd gespeeld, er bleek zelfs al jaren een Haagse damesclub te bestaan.

Uiteraard moesten we de beste materialen hebben en dat betekende: blauwe ballen.
La Boule Bleue, La vraie boule de Marseille depuis 1904.
Op naar Marseille dus om ze te kopen. Ja hoor eens, we hadden nog geen Bol.com.

Het was in een tijd dat het massatoerisme nog niet was doorgedrongen in een stad als Marseille. De stad maakte veel indruk op me, die ene middag dat ik er was. Terwijl we toen niet eens in die prachtige haven zijn geweest. Wij kwamen er alleen om de blauwe ballen kopen. Er hing in Marseille iets wereldlijks in de lucht, alsof je op weg was naar Afrika. (We hebben trouwens met ons groepje ooit de wereldkampioenschappen petanque bezocht, en ik zal nooit de elegante armbewegingen van de lange mannen uit Senegal vergeten. Zij werden tweede op de wereldranglijst.)

De ballen waren inderdaad knalblauw, maar die verf sleet er al gauw af door het spelen, en dan werden ze gewoon metaalkleurig.
Hoewel ik nooit een beker heb gewonnen en dan ook niet bijzonder goed was in het spel, heb ik er altijd enorm van genoten.

Ik gooide meestal de eerste bal. Dat is op zich wel belangrijk, maar het tireren – het wegkaatsen van een bal van de tegenpartij – heb ik nooit goed onder de knie gekregen.

Toch eens kijken hoe verroest de ballen nu zijn. Wie weet ga ik van de zomer toch maar weer eens op het Museumplein kijken.

Vandaag maken we rouille uit Marseille. Rouille, de ware begeleider bij bouillabaisse. Waag het niet bouillabaisse met een z aan het eind uit te spreken, er staat toch dubbel s dus je zegt het met een scherpe s aan het eind.

Maar rouille op toast is ook heerlijk bij een eenvoudiger vissoepje, of bij een stukje gepocheerde vis. Op een hardgekookt ei, of bij een gekookt aardappeltje voor een zonnig zuidelijk accent aan de maaltijd.

De basis is aioli, op zich al heerlijk.

  • 4 tenen knoflook
  • olijfolie, hoeveelheid moeilijk te zeggen
  • 1 eidooier
  • snuf zout
  • paar draadjes saffraan of een halve theelepel saffraanpoeder
  • snufje cayennepeper
  • eetlepel paprikapoeder

Knoflookteentjes pellen en in een vijzel pureren (je mag valsspelen en eerst de knoflook door de knijper persen).
Eierdooier erdoor roeren.
Druppelsgewijs de olie erbij gieten, roeren tot het dik wordt, daarna mogen het scheutjes olie zijn, zoals je mayonaise maakt.
Doorgaan tot je de gewenste dikte en hoeveelheid hebt.
Tot slot het zout en de specerijen (saffraandraadjes eerst twintig minuutjes weken in lauw water) er doorheen mengen.

Als je het bij vissoep eet: een klein scheutje visbouillon erdoor roeren.

Lekker dik op warm geroosterd brood smeren.

———-

Sporty Spice komt van Wikimedia Commons. De actiefoto is geleverd door de auteur.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Maeve van der Steen

Maeve van der Steen is actrice. Jarenlang prees zij op TV een bekend toetjesmerk aan. Een reclame waarin de frase: ‘Mijn man heeft weer iets nieuws bedacht ….,’ telkens terugkeerde.Zij schrijft in De Leunstoel over eten maken. In haar artikeltjes toont ze zich steeds een voorstander van verse waar, maar anderzijds moet eten maken ook niet te ingewikkeld worden. Kan men zich een betere adviseur op dit gebied wensen?Verder schreef zij enkele artikelen over het Franse chanson, een onderwerp dat haar na aan het hart ligt. Ze treedt ook op als zangeres.