Op de fiets

La Grande Guerre in het klein

Over kliffen en langs strandjes gaan onze fietstochten. We zijn in departement Côtes-d’Armor aan de noordkust van Bretagne. Eindeloos zijn de uitzichten over de oceaan, verkoelend onze duiken erin.
Maar was will das Weib? Freud is er nooit uitgekomen, ik wel. Naar die dorpsmarkt in Pléhédel natuurlijk, hoe moeilijk kan het zijn Sigmund?

Terwijl Belinda zich onmiddellijk verliest in het ruime aanbod van groente, fruit en toeristische hebbedingetjes, fiets ik naar de kerk. Ervoor staat een schitterend oorlogsmonument. Elk Frans dorp of stad heeft een gedenkteken waar de slachtoffers van La Grande Guerre worden herdacht. Je verbaast je over de lange rij namen van hen die vielen in de Eerste Wereldoorlog. Ook hier, een dorp en toch tel ik meer dan 70 namen.

Deze in Pléhédel is wel heel aangrijpend. Ik zie de in rouwmantel gehulde weduwe haar kinderen wijzen op de naam Guillaume Ollivier, hun vader. Ik denk erbij, enig drama is mij niet vreemd, dat ze zegt: ‘Kijk goed kinderen, daar staat jullie vader, gestorven voor het vaderland. Zijn naam wordt geëerd tot in de eeuwigheid.’

Omdat ik meer wil weten fiets ik naar het gemeentehuis. Meer dan dat de beeldhouwer Henri Pourquet heet kan de ambtenaar van dienst mij niet vertellen. Bertrand weet misschien meer, hij is de dorpsoudste. Als ik vraag waar hij woont, schiet de ambtenaar in de lach. Hij heeft geen idee waar maar weet zeker dat Bertrand nu in Bar des Sports aan zijn eerste cider zit. Misschien zijn tweede.

Als ik het café binnenstap zie ik Bertrand zitten. Hij werd aangekondigd als oud maar blijkt stokoud. In mijn beste Frans stel ik mij voor en vraag hem of de beelden van het monument echt bestaan hebben.

( Bertrands typische Frans laat ik staan, de rest is vertaald. Zonder ChatGPT )

‘Certainement, mon Dieu, les pauvres Olliviers. Het zijn echt de weduwe en haar kinderen Yann en Gaël. Zij hebben ervoor geposeerd in Saint-Malo. Luister, ik kom uit 1935 en heb alles wat ik ervan weet van mijn ouders en oma. Met de weduwe Marie is het slecht afgelopen, zij verdronk haar verdriet en later zichzelf in calvados. Wat er met Gaël gebeurd is weten we niet. Die miste een strenge vaderhand en vertrok al op haar 16e, ik was nog niet geboren, naar het losbandige Parijs. Zij keerde nooit weerom. Yann trouwde met Annick van de kruidenier en zij kregen een zoon, Ludovic. Ludo en ik waren schoolvrienden. Hij vond zijn vader maar een lafaard omdat hij postbode werd en daardoor niet in ‘39 het leger in hoefde. Nee, dan zijn grand-père du monument, die verafgoodde hij. Ludo vertelde mooie en spannende verhalen over zijn opa. Dat-ie in 1914 vocht aan de Marne en de Duitse stoomwals tegenhield. In 1916 onder zwaar vuur lag in Verdun maar de hel overleefde. Uiteindelijk sneuvelde hij jammerlijk tijdens het beslissende Maas-Argonne Offensief in de herfst van 1918. Moedig en strijdvaardig, schouder aan schouder met de Amerikanen, viel hij aan maar stierf in Duits spervuur. Op 8 november, drie dagen voor het einde van de oorlog.’

Bertrand buigt zich voorover en fluistert dat Ludovic een fantast was. Want van oma hoorde hij dat Guillaume de hele oorlog kok was in de keuken van een opleidingsinstituut, tientallen kilometers achter het front. En in 1919 bezweek aan de Spaanse griep in het ziekenhuis van Saint-Brieuc.

‘Mais n’oubliez jamais monsieur Thomas, la guerre est une horreur. C’est pourquoi ma fille ‘s appelle Irène. Irène, la paix.’

Niet veel later fiets ik samen met Belinda en volgepakte tassen weer langs het monument. Ik knik ernaar en zeg: ‘Wist je dat die Guillaume gewoon kok was en nooit een schot heeft gelost, in die hele oorlog niet?’

‘Goed van hem, eten moet je toch, oorlog of niet.’

———-

De foto is van de schrijver

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>