Dat er sprake is van gentrification in de Pijp is een understatement te noemen. In goed Hollands: dat er sprake is van gentrificatie in de Pijp is zacht uitgedrukt.
Toen ik in de Pijp kwam wonen, in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw, was het hier nog een echte volkswijk met slecht onderhouden huizen en onbehouwen types met grote zwarte bouviers. Ook hier en daar nog een vrouw die over de vensterbank hing om de boel in de gaten te houden, wat ze kennelijk niet goed deed want er was veel criminaliteit. Drugsdealers vooral, het waren de hoogtijdagen van de heroïne.
Bouviers en heroïne zijn allang uit de mode, we hebben nu andere soorten honden en synthetische drugs. En minder overlast gelukkig.
Maar we hadden wel winkels, je kon in tien minuten in mijn buurtje de dagelijkse boodschappen doen: er was in mijn straat een melkboer en Het Abcouder kaasboertje – die dan ook uitsluitend kaas verkocht – en zelfs een drogist.
Om de hoek in de Frans Halsstraat was een groenteboer, een bakker (waar het kleine dikke jongetje Sjuul Paradijs in de winkel stond) een slager en een sigarenzaak met een kantoor van de gemeentegiro. Daar gingen ze het hoofdkantoor bellen om te checken of er genoeg op je rekening stond voordat je je geld kon opnemen. Stel je voor, die sigarettenverkoopster zat de hele dag aan de telefoon! Middeleeuwse toestanden, maar toch nog geen vijftig jaar geleden.
Tot begin deze eeuw kreeg ik meewarige blikken van mensen als ze hoorden dat ik in de Pijp woonde. Langzamerhand veranderde dat. Op de hoek kwam bijvoorbeeld ‘De Taart van mijn Tante’ die in het hele land bekend werd. Steeds gingen de ogen van de jongelui meer oplichten als ik vertelde dat ik in de Eerste Jacob van Campenstraat woonde. Toen ik Carice van Houten als buurvrouw kreeg kon het niet meer stuk.
Intussen wil je niet weten hoeveel er gemiddeld aan huur wordt betaald voor de inmiddels strak gerenoveerde etages. Je kan er natuurlijk ook eentje kopen voor een half miljoen. Daar kan je dan alleen gaan wonen of met iemand samen, en dan te bedenken dat er in zo’n ruimte een eeuw geleden twee gezinnen woonden.
Het heet tegenwoordig een toplocatie en daar ben ik het helemaal mee eens.
Wie kan zeggen dat hij op vijf minuten lopen van de grachtengordel woont, op zeven minuten van het Museumplein, drie minuten van de Albert Cuyp en twaalf minuten van het Leidseplein? Lopend hè.

Ja, ik, en ik ben daar heel blij mee. Ik behoor tot die laatste der Mohikanen die hier altijd zijn blijven wonen (in mijn geval uit pure gemakzucht) en dus een absurd lage huur betalen, ik durf het bedrag niet eens te noemen. Ok, het is wat tochtig en ik moet een of twee keer per dag drie trappen op. Maar traplopen is gezond en sinds kort heb ik dubbele ramen, de kosten gedeeld door mijn huisbaas en mij.
Groenteboeren en bakkers zijn er niet meer in de straat en om de hoek. Wel koffietentjes, koffietentjes, en koffietentjes. Hé, er wordt verbouwd, wat zou hier nou komen? Toch geen koffietentje?
Thee kan je ook volop krijgen en dan geen normale thee maar bubble tea en matcha. Hoe die matcha precies smaakt weet ik niet want heb het nooit geproefd, het schijnt trouwens dat echt goede matchablaadjes niet eens te krijgen zijn. Hier is het vaker een inferieure soort die in poedervorm wordt geleverd. De meisjes – waarom zijn die trendy theeën toch zo geliefd bij meisjes? – weten misschien ook niet hoe het smaakt want ze drinken het vermengd met latte of amandelmelk, en liefst met nog iets zoets erdoor. Het ziet er weinig aanlokkelijk uit, dat groene brouwsel.
We hebben inmiddels ook drie kappers, en naast mij, waar vroeger de onvergetelijke glashandel Rembrandt zat komt binnenkort een sauna, met koud dompelbad, wij omwonenden hebben al een informatieavond gehad. (Tussendoor was er de Turkse bezorger van boodschappen Getir en een vintage kledingwinkel).
Een grote verbetering zijn de geveltuintjes met hun bloemenpracht, alles ziet er veel vrolijker uit dan tientallen jaren geleden. De Frans Halsstraat was altijd al charmant met mooie iepen en acacia’s. Mijn stamkroegen hebben plaats gemaakt voor Café Caron van de charmante eigenaar Alain Caron met zijn Franse accent, het gezellige Oeuf, raden wat je daar eet, en het dure Maris Piper. Ja dat is een aardappel, die Piper. En twee pizzeria’s uiteraard. Twee wijnwinkels, we mochten eens omkomen van de dorst!
Het is allemaal te veel om op te noemen en ik ben nog niet eens begonnen bij de Ferdinand Bolstraat die lelijk was en altijd wel lelijk zal blijven. Gelukkig is er de HEMA. En er zijn tientallen restaurants, bijna deur aan deur.
Koreaans, Szechuan, Thais, Japans, Turks, Seafood, Frans, Indonesisch, help, we zijn nog niet eens op een derde van de straat. Ook een Febo hoor, en natuurlijk de Hawaiian Poké Bowl, hoe kon ik die vergeten. Vier hamburgertenten. Mijn vraag is, hoe deden we dat vroeger? Met alleen maar Djokjakarta, toevallig wel het beste Indonesische restaurant van Amsterdam. En één snackbar op honderden meters afstand? Wat deed je dan als je honger had? Koken?
Je moest wel, en wel voor zessen je boodschappen doen anders moest je naar een dure avondwinkel…
Vandaag een maaltijd uit de jaren zeventig, van toen de Pijp nog volksbuurt was.
Ik zou het liefst beginnen met een kopje Cream of Celery van Andy Warhol, ik bedoel Campbell. Wat een heerlijk soepje, maar helaas nergens meer te krijgen, ook niet bij onze Engelse winkel Kellys Expat Shop.
Dan maar door naar het hoofdgerecht
Biefstuk met groene pepersaus.
(Deze spelling is onjuist, net als witte wijnazijn, groene pepersaus is helemaal niet groen, maar is gemaakt met groene pepers. Het moet dus groene-pepersaus zijn).
Dit is zo’n heerlijk simpel gerecht dat iedereen het lust behalve een vegetariër – een echte klassieker!
Voor twee personen
- twee biefstukjes van de haas
- versgemalen zwarte peper
- zout
- een sjalotje
- helft van een bekertje (125 cl oftewel een achtste) slagroom, je mag uitschieten naar iets meer
- enkele eetlepels groene pepers uit een potje
- afgestreken eetlepel bloem
- twee klontjes boter
- klein scheutje zonnebloemolie
- deciliter fond van rundvlees, of bouillon van een blokje
- vingerdopje cognac of whisky
Zorg dat het vlees op kamertemperatuur is, dus minstens drie kwartier vantevoren uit de koeling halen.
Zet alle benodigdheden klaar. Zet de oven op 30 ºC en zet daar twee borden in.
Snijd het sjalotje heel fijn.
Spoel de pepers in een zeefje af onder de lauwe kraan.
Bestrooi het vlees met wat zout en gemalen peper.
Laat in een koekenpan wat olie warm worden, doe er een klontje boter bij.
Nu heet laten worden tot de boter bruin wordt maar niet te donker.
Leg de biefstukjes in de pan en laat om en om bruin bakken, iedere kant ongeveer drie minuten of iets langer, afhankelijk van hoe dik de stukken vlees zijn.
Het mag redelijk hard bakken, maar overdrijf het niet, daar wordt het vlees hard van.
Leg het vlees op de borden en parkeer die zolang in de oven.
Doe nog een klontje boter in de koekenpan, roer de sjalotjes erdoor tot ze glazig zijn, doe er dan de whisky of cognac bij, laat even uitdampen.
Roer nu de bloem erdoor, die mag een beetje kleuren, en giet dan de fond of bouillon erbij. Weer roeren maar, dan kan nu de room erin en de pepers.
Nog even laten indikken.
De saus over de biefstukjes gieten en smullen maar.
Gebakken aardappeltjes erbij of bij de snackbar snel wat frietjes halen.
Je hoeft toch niet alles zelf te doen.
Wel een beetje sla erbij, dat hoort, en een stukje stokbrood voor als er nog wat van die verrukkelijke roomsaus op je bord ligt.
Een goede Beaujolais op tafel, om het compleet jaren zeventig te maken.
De tekening is van Han Busstra. De foto is van Maeve zelf (de straat rechts is haar eigen straat)
