
Soms verlang ik terug naar de tijd dat ik een muurbloempje was. Al te populair, zoals nu, kent zijn bezwaren. Ik kan niet meer door de Breestraat lopen zonder opgemerkt en staande te worden gehouden door passanten die met mij in gesprek willen om iets van mijn glorie deelachtig te worden. In de boekwinkel worden mijn meesterwerken triomfantelijk omhoog gehouden door klanten die de schrijver bespeurd hebben. ‘Ik heb hem gekocht hoor!’ En ook in het café heb ik geen rust, want ik word benaderd door lezers die mijn handtekening willen.
Ik wilde hier iets tegen ondernemen. Ik heb op het internet gezocht naar populariteitsverminderende maatregelen. Maar de oplossingen die mij aan de hand werden gedaan, zoals slechte adem en zichtbaar urineverlies, leken mij zo niet onhaalbaar, dan toch erger dan de kwaal. Communicatieve handicaps, zoals stotteren en al of niet voorgewende hardhorendheid kwamen meer in de richting en de hardhorendheid hoefde ik maar tot op zekere hoogte voor te wenden. Toch zocht ik naar andere technieken.
Ik zou een pitbull kunnen nemen. Het zijn erg lieve en aanhankelijk beesten en zij doen geen vlieg kwaad (behoudens uitzonderingen), maar de meeste mensen zijn er bang voor. Maar een hond aan een touwtje, dat vind ik maar niks.
Ik zou ook in een mij opgedrongen gesprek mijn sympathie kunnen uiten voor Zijne Schadelijkheid Donald Trump, de kwaadaardige kleuter die door meer dan de helft van de kiezers tot president van de Verenigde Staten is gemaakt (ook als hij de volgende verkiezingen verliest is deze schandvlek voor de Amerikanen niet uit te wissen). Daarmee zou ik ongetwijfeld alle fatsoenlijk mensen van mij vervreemden en dat gaat mij te ver. En van een minderheid zou ik bijval krijgen. Verkeerde vrienden dus, zoals ook sommige landen zoals Rusland, Hongarije en Israël die hebben. Zo’n politiek uitstapje laat ik dus maar varen.
Is mij eenmaal tot een gesprek afgedwongen, dan zou ik een uitweg kunnen vinden door het aansnijden van gevoelige thema’s. ‘Mijn medeleven hoor! Het valt niet mee als je vrouw er met een ander vandoor gaat’. Of: ‘Op die tweede school lukt het ook niet met je zoon. Tja, wat blijft er nog over.’ In gedachten houden deze oplossing, maar alleen voor noodgevallen. Bovendien is voorkennis over de gesprekspartner niet altijd voorhanden.
Al verder prakkezerend liep ik door het park hier in de buurt en ik passeerde aldaar de grote volière waarin zich sierhoenders en andere kleurige vogels ophouden. Ik kreeg een inval. In het voorbijgaan riep ik: ‘ze zijn allemaal eetbaar hoor!’ Ik hoorde een kind zeggen ‘dat is niet lief van die meneer, hè mam’. En de moeder ‘nee hoor meissie, dat heb je goed gezegd!’.
En morgen is mijn zwemdag, samen met de buurvrouw, met toestemming van mijn echtgenote overigens. Ik laat mij dan in het water zakken en wacht op de onvermijdelijke toeloop van mijn aanhang, meest dames op leeftijd. ‘Hebben jullie al gehoord van het Amanuensisvirus’, zeg ik dan. ‘Het heeft nu zelfs de overdekte zwembaden bereikt. Niet gevaarlijk, hoor, maar wel hinderlijk. Ik heb het vorige week hier opgelopen. Tja, drie dagen moeite gehad om de wc te halen, wat niet altijd lukte. Ik hoop maar dat ik nu immuun ben’. Sommigen reageren ongelovig, maar anderen zullen de badmeester gaan raadplegen. Ik zie de man al op zijn voorhoofd wijzen en iets zeggen in de geest van ‘die man spoort niet helemaal’. In elk geval is mijn doel bereikt. De dames wijken van mijn zijde en zetten zich in beweging. In het gelid! Zij beoefenen de babbelslag. Er is geen doorkomen aan. Geeft niet! Pootje baden is ook goed voor de gezondheid.
Ik kan mij ook laten interviewen door een medewerker van dit hoogstaande en veelgelezen tijdschrift en mij dan laten ontvallen dat ik niks tegen vrouwen heb, maar mij wel eens afvraag of zij tot dezelfde mensensoort behoren en verder dat ik geen groter genoegen ken dan met een luchtbuks op koolmeesjes te schieten.
Aan goede ideeën geen gebrek!
———
De muurbloem is getekend door Loes Klaren.
