
‘Sprintkanonnen als Kok en De Boo, machtig mooi om naar te kijken’
Bijna heel Nederland was even in de ban van de schaatssport. Bij de Olympische wedstrijden shorttrack en langebaan, begin februari 2026 in Milaan, haalde Team-NL de ene na de andere medaille binnen. In het overall-klassement van deze winterspelen eindigde Nederland met twintig plakken als derde, na Noorwegen en de Verenigde Staten. Nog nooit vertoond.
De winnende races van Femke Kok en Jutta Leerdam zullen de komende decennia nog vele keren worden herhaald. Omdat Jutta’s vriend ene Jake Paul is, mocht ze zelfs even in de buurt komen van behaagzieke president Trump, die zei dat ze zó sterk is. Intussen zit ze midden in het wankele wereldje van luxe en glamour, mode, dollars en geflipte influencers. Te hopen valt slechts dat haar schouders nog sterker zijn dan haar benen.
Achter de Nederlandse wereldtop in Milaan zitten hele groepen aanstormende talenten, die ook graag willen ‘doorbreken’. Dat is nu zo en het was vroeger niet anders. En allemaal hopen ze ooit de top te kunnen bereiken. Zolang talenten plezier aan hun sport beleven, gaan ze ermee door. Zeker als ze zich telkens weer ietsje weten te verbeteren.
Nieuw format
Eén van die schaatstalenten was Arjan, nu Adrian Overdevest, intussen 57 jaar en sinds 1995 woonachtig in Oostenrijk in de buurt van Innsbruck. Hij was een sprinter pur sang en héél rap in ‘het korte werk’. Het was begin jaren negentig, toen de landelijke schaatsbond KNSB op zoek was naar een nieuw, aantrekkelijk wedstrijdformat. De 500 en 1.000 meter bestonden al lang. Daarnaast werd de zogenoemde ‘supersprint’ geïntroduceerd: twee keer 100 meter en twee keer 300 meter.
‘Op de gangbare afstanden 500 en 1.000 meter presteerde ik wel redelijk, maar net te weinig om op topniveau de competitie aan te kunnen gaan. Met mijn persoonlijke records op die afstanden, respectievelijk 38,35 en 1.17,85, kon ik weliswaar aardig meekomen. Maar mijn kracht lag op de korte sprint met een bliksemstart’, aldus Overdevest.
Het lukte hem in 1991 om het nationale kampioenschap kortebaan (senioren) te winnen. In 1994 werd hij nationaal kampioen supersprint. Maar de erkenning in het schaatswereldje voor die laatste titelstrijd bleef achter, omdat de sprintafstanden niet aansloegen bij het grote publiek. Het kampioenschap bleef wel bestaan, maar op de achtergrond. In 2014 volgde andermaal een aanpassing voor de junioren A en senioren in de vorm van een driekamp (100, 300 en 500 meter). De meeste schaatsliefhebbers weten echter van het bestaan niet af.
Uitnodiging
In de loop van 1991 verhuisde Overdevest vanwege z’n opleiding (fysiotherapie) van Bathmen naar Utrecht. Hij kreeg een uitnodiging van het gewest Noord Holland-Utrecht om deel uit te maken van de regionale sprintselectie, waarvoor een nieuwe opzet was uitgewerkt. Hij trainde onder Bart Schouten met onder anderen Jakko-Jan Leeuwangh, die in z’n latere schaatscarrière heel wat titels wist binnen te slepen.
De Nederlandse top lokte ook voor Overdevest. En hij kreeg zowaar een toezegging om mee te doen aan internationale wedstrijden in Calgary. Overdevest gaat terug in de tijd: ‘Mijn laatste wedstrijd was het NK kortebaan in Heerenveen. Ik veroorzaakte een dubbele valse start tegen Gerald van Velde, de latere kampioen, die in 2002 goud won bij de Spelen in Salt Lake City.’
Het liep allemaal anders, want het gewest trok de toezegging in. Omdat Overdevest de reis zelf niet kon betalen én teleurgesteld was, besloot hij te stoppen. In de periode liep hij stage, had daarnaast ook nog een baan én wilde z’n scriptie (fysiotherapie) afronden. Hij hakte de knoop door, stopte met schaatsen en studeerde af in de herfst 1995. Kort daarna vertrok hij naar Wenen.
Trainingskamp Davos
Was de teleurstelling zo hard aangekomen? ‘Nee hoor, ik wilde sowieso naar het buitenland. Omdat mijn toenmalige vriendin in Wenen studeerde is het toen Oostenrijk geworden. Ik leerde haar kennen tijdens een trainingskamp in Davos, waar zij gedurende de zomer in het Waldhotel (Thomas Mann, der Zauberberg) werkte. In de eerste paar jaar heb ik nog bij clubs in Wenen en Innsbruck geschaatst en tot 2002 training gegeven aan de junioren. Hoogtepunt was toen deelname aan de Jeugd Olympiade in Finland.’
Achteraf noemt hij het jammer dat hij niet de kans kreeg om in professionelere omgeving zijn maximale sprinterskwaliteiten te ontdekken. ‘Commerciële ploegen, de klapschaats en professionele begeleiding (optimale voeding e.d.) kwamen voor mij net te laat. Wel heb ik in deze periode van mijn leven enorm veel geleerd en ben ik zeer dankbaar voor alles en iedereen, die ik op mijn weg ben tegengekomen.’
Arjan kijkt met positief gevoel terug op zijn sportieve loopbaan. ‘Zeker geen spijt, het was een mooie tijd’, stelt hij resoluut. Een bijsmaakje heeft hij overgehouden aan het gebrek aan ondersteuning en erkenning voor het sprinten vanuit de landelijke KNSB. De bond had nota bene zelf met de supersprint een nieuwe schaatsdiscipline ingevoerd, maar weigerde later daar consequenties aan te verbinden. ‘En het was toevallig míjn tak van sport: ik reed de eerste honderd meter in 9,79 seconden. Let wel, dat was toen zónder klapschaatsen en op een buitenbaan.’
Op de kaart gezet
‘Ach, ik troost me met de gedachte dat wij toen eerste stappen hebben gezet voor de latere successen van grote sprinters Jan Bos en Erben Wennemars en vele anderen. Die mannen hebben het sprinten écht op de kaart gezet, niet alleen in eigen land maar ook internationaal. En sprintkanonnen als Femke Kok en Jenning te Boo vind ik, met hun ongekende en pure schaatstechniek, machtig mooi om naar te kijken.’
Bij de foto (geleverd door de hoofdpersoon):
In het Italiaanse Collalbo moest Arjan Overdevest (rechts) het afleggen tegen de latere kampioen Gerard van Velde.
