
Na die mislukte eerste etappe langs de IJssel (Isala I) laat ik de expeditie varen. Niet meer van begin tot eind langs de rivier fietsen, nee, in flarden. Zo deed ik half april het traject Zwolle-Deventer. Beverig zonnetje, 2 Beaufort in de rug, perfect.
Op het stationsplein kijkt geboren Zwollenaar Thorbecke streng naar de stad. Zijn barse blik is waarschijnlijk niet voor de stad bedoeld, maar voor de VVD die onbarmhartig met zijn liberalisme omgaat. Voordat ik zuidwaarts ga, slinger ik eerst nog langs de highlights van Zwolle. Dus door de Sassenpoort, langs de Peperbus en museum de Fundatie. De Wolk boven op het neoclassicistische gebouw imponeert, het is gigantisch.
Door woonwijken laverend bereik ik de rand van de bebouwde kom. Ik hoop vanaf nu langs het water te fietsen maar eindeloze door paardenbloemen geelgekleurde weilanden vormen voorlopig mijn uitzicht. Alleen een dijk in de verte verraadt de rivier.
In Wijhe stop ik voor koffie en een kaneelbroodje. Tegenover de supermarkt zitten oude Wijhenaren de toestand in de wereld door te nemen. Of hun medische dossiers, gezien hun leeftijd een waarschijnlijker onderwerp. De groep bestaat uit een man of zes, zeven. Als er eentje opstaat met de mededeling: ‘Oké mannen, tot morgen’, lost de groep in een oogwenk op in het niets. De laatste die opstaat grist een meegenomen kussentje mee en gooit het in het mandje van zijn rollator, blijkbaar zijn de bankjes te hard voor zijn tere zitvlak.
Altijd happig op kerkhoven volg ik in het gehucht Den Nul het bordje Joodse begraafplaats. Ooit trof ik er in Edam eentje met maar 14 grafstenen. Dat moest wel de kleinste van Nederland zijn, dacht ik. Mis, in Kortenhoef vond ik een Joodse begraafplaats met 13. Maar nu weet ik zeker dat ik de kleinste gevonden heb. Marianne Zendijk-van Spiegel is de enige die hier te ruste is gelegd, voor eeuwig alleen.
In Olst is het markt en met de fiets aan de hand loop ik eroverheen. In niets is die markt anders dan in Hilversum. De viskraam komt uit Volendam, het brood is van ‘t Stoepje uit Spakenburg, de eierboer is vanochtend uit Barneveld vertrokken en de olijven zijn van Dimitrios. Bij Sharon bestel ik een portie kibbeling. ‘U wil er vast remouladesaus bij meneer?’ Je mag nooit meer raden, Sharon. Heerlijk!
In het zonnetje op een bankje tegenover de watertoren eet ik de gefrituurde vis begerig op. Het gebouw heeft zijn functie verloren en herbergt nu luxe appartementen. Boven de ingang staat nog wel: Water zal te voorschijn komen zodat het volk kan drinken. Het blijkt uit Exodus en mijn verlangen om er ooit te wonen neemt toe. In een gezegende toren wonen! Hemels!

Ik bereik Deventer en zet koers naar de Maranathakerk. Die maakt deel uit van Grootste Museum van Nederland, 27 gebedshuizen die op gezette tijden openstaan voor bezoek. Deze is speciaal gebouwd voor de Molukse gemeenschap door het eigenzinnige architectuurechtpaar Aldo en Hannie van Eyck. Aan de deur hangt een papiertje met ‘hard duwen’ maar zelfs als ik met mijn schouder kracht zet blijft de deur potdicht. Van de 27 heb ik er nu 18 van binnen gezien, ik baal dat ik nummer 19 niet kan afvinken.
Ik ben al bijna bij het station en besef dat ik 40 kilometer langs de IJssel heb gefietst maar ‘m nog niet heb gezien. Dat laat ik niet op me zitten en fiets door naar Onder de Linden. Vanaf daar heb ik eindelijk zicht op de kronkelende IJssel.
Op weg naar het station fiets ik over de Brink. Ik associeer Deventer zo met Eus dat ik verbaasd ben hem niet tegen te komen. Maar hij zit natuurlijk al in de visagie op het Mediapark in Hilversum.
———-
De plaatjes komen van Wikimedia Commons
