
Door de jaren heen
is het Lido theater in Leiden een van de onaangenaamste bioscopen
in de Randstad. Aanvankelijk bestond het complex uit de benedenzaal
Lido en een zaaltje op één hoog, zoals in die tijd
gebruikelijk was, Studio geheten. In de jaren zeventig en tachtig
werd het theater in etappes uitgebreid met drie zalen, maar Studio
behield zijn oude naam. Sindsdien wordt de voorgevel gesierd door
de tekst STUDIO theater LIDO1234.
Voor de komst van kabeltelevisie
en video was het bezoek aan Lido een onvoorstelbare kwelling. De
toenmalige exploitant redeneerde
dat hij aan zijn bioscoop het meest kon verdienen door zo weinig
mogelijk kosten te maken. Vooral personele kosten tellen aan, dus
die moesten binnen de perken blijven. Daartoe liet hij in alle zalen
de avondvoorstellingen om 19.00 uur en 21.15 beginnen. Zo ging geen
tijd verloren tussen de twee voorstellingen, en kon bovendien volstaan
worden met één kaartjesscheurder, die zich bij de voordeur
posteerde. Bij dit scenario was het zaak, de bezoekers van de tweede
voorstelling buiten de deur te houden tot die van het eerste cohort
het pand hadden verlaten. Het is me een paar keer overkomen dat ik – na
bezoek aan het toilet – als laatste het pand verliet, vijandig
aangegaapt door klanten die door mijn getreuzel niet naar binnen
mochten. Zodra de tweede voorstellingen waren begonnen, sloot de
kassa en kon al het personeel naar huis, met uitzondering van de
operateur en een juffrouw die alle overige zaken voor haar rekening
nam. Omdat twee uur en een kwartier bij veel films kort bemeten is,
werden kostbare minuten gewonnen door de film zo af te stellen dat
deze afsloeg bij het begin van de aftiteling. De protestbrieven die
ik hierover verzond werden, geheel in de geest van de bedrijfsvoering,
niet beantwoord.
Sinds alom in het land bioscoopexploitanten beseften
dat ze iets moesten veranderen om met de huisbioscoop te kunnen concurreren,
gaat het ook met Lido wat beter. De tweede avondvoorstelling begint
om half tien, en wie dat wil kan de hele aftiteling meemaken. Maar
nog steeds mag het late publiek pas naar binnen na het vertrek van
de vorige lichting bezoekers. Ook een andere misstand uit het verleden
wordt hardnekkig in ere gehouden. In de meeste bioscopen in binnen-
en buitenland is de pauze opgedoekt en kan het publiek ononderbroken
van de hoofdfilm genieten. Zo niet in Lido. Na een minuut of 25 floepen
de lichten aan en wordt de vertoning een kwartier stopgezet. Pauze.
Niet-ingevoerde bezoekers kijken op dat moment altijd verwilderd
om zich heen, denkend aan een technische storing. Pas als ze andere
klanten de zaal zien verlaten, begeven ze zich ook naar de foyer,
want dat is kennelijk de bedoeling.
Er is alle reden om Lido evenzeer
te blijven mijden als de kermis of een braderie, maar ongelukkig
genoeg ligt het complex op tien
minuten lopen van mijn werkplek. Eén dag na de landelijke
première wilde ik naar de film Matchstick Men, maar ik had
na een drukke werkdag geen fut voor de reis naar het Haagse theater
Buitenhof. Dan maar naar Lido. Het zat mee. Zaal 4 is de meest recente
aanwinst van het complex – nog maar dertig jaar oud – en
daardoor verhoudingsgewijs comfortabel. Ook liet, zoals ik al gehoopt
had, het gewone vrijdagavondpubliek verstek gaan en had ik slechts
het gezelschap van zeven andere bezoekers, die zich voorbeeldig gedroegen.
De
hoofdrol in Matchstick Men wordt gespeeld door Nicolas Cage. Een
prachtige acteur, maar met een erratische carrière. Zo heeft
hij zich ingelaten met misbaksels als Con Air, The Rock en Gone
in Sixty Seconds, suffe actiefilms waar geen eer aan te behalen viel.
Omgekeerd schitterde hij in de surrealistische komedies Adaptation,
Red Rock West en bovenal het wonderschone Raising Arizona.
Ook in Matchstick Men steekt Cage in puike vorm. Dat moet ook wel,
want zijn personage Roy Waller vereist drie rollen voor de prijs
van één. Waller vormt samen met zijn jongere collega
Frank (Sam Rockwell) een geolied zwendelaarsduo. Een zielig middelbaar
echtpaar wordt wel twee keer opgelicht: eerst smeren ze de vrouw
des huizes telefonisch een prijzig ‘waterfilter’ aan,
vervolgens bieden ze in de hoedanigheid van FBI-agent aan, de zwendelaars
op te sporen. Gratis, afgezien van een kleine onkostenvergoeding.
Behalve con artist (zoals hij zichzelf omschrijft) is Waller ook
een dwangneuroot met smetvrees. Hij opent een deur pas definitief
na hem onder het uitspreken van de woorden ‘uno, dos, tres’ eerst
driemaal weer dichtgeklapt te hebben. Wanneer bezoekers van zijn
appartement de huisregel – schoenen uit! – overtreden
hebben, moet hij een extra pilletje gebruiken voordat hij de kamer
weer grondig aan kant brengt. En voorts maakt hij kennis met zijn
veertienjarige dochter, die geboren werd toen hij en zijn vrouw al
gescheiden waren. Dat is voor geen enkele man een sinecure, en zeker
niet voor een kettingrokende, neurotische zwendelaar. Alison Lohman
– die ook in White Oleander al voor dochter speelde – mag dan
een volwassen vrouw van 24 zijn, ze ziet er geen dag ouder uit dan
de veertien jaar die het scenario voorschrijft. Zoals het hoort in
dit genre, is er tegen het eind van de film een plotwending die het
voorafgaande in een nieuw daglicht plaatst. In dit geval leek de
alternatieve toedracht me nogal geforceerd en nodeloos ingewikkeld.
Te zijner tijd zal ik de video moeten huren om te zien of de scenarist
eerlijk spel gespeeld heeft.
Desondanks bracht Matchstick Men me
precies in de goede bui waar bijvoorbeeld feel good relatiekomedies
met Meg Ryan nooit in slagen.
Ik bleef zelfs redelijk aardig tegen de werkstudent die al bij de
aftiteling begon de zaal op te ruimen en, kennelijk vergetend dat
hij in functie was, luid meefloot met Frank Sinatra op de soundtrack. ‘Ze
leren het nooit,’ dacht ik, en verliet goedgeluimd als laatste
de zaal.
