De wereldliteratuur roept

Jongens zijn het, hele aardige jongens

In
mijn studententijd woonde ik vijf jaar aan de Prinsengracht, vlakbij
de Jordaan. Onvermijdelijk maakte ik met enige regelmaat gebruik
van de ruim gesorteerde hoeveelheid café’s in dat stadsdeel,
zonder overigens een stamkroeg te hebben. Op een zomeravond in 1970
kwam ik terecht in De Westertoren in de Nieuwe Leliestraat. Daar
werd mijn aandacht (en die van andere drinkers) getrokken door een
man die zich links van mij bevond, aan de korte kant van de bar.
Hij was gekleed in een witte broek, wit overhemd en blauwe blazer
en had een soort kapiteinspet op. Maar hij gedroeg zich allerminst
als een waardig scheepshoofd. Zijn zeemansliederen, rijkelijk voorzien
van menselijke vleeswaar, schalden door het café. Naarmate
de aangedragen hoeveelheid jenevers steeg, werd de kapitein luidruchtiger
en zijn gezang valser.

Normaliter zou ik het waarschijnlijk even leuk,
een tijdje storend en ten slotte stomvervelend hebben gevonden. Nu
echter niet. Want
ik was op slag van de kaart toen de barkeeper mij inlichtte over
de ware identiteit van de kapitein. ‘Weet je wie dat is? Dat
is nou Willy van der Heide, van de Bob Evers-serie
.’ Er ging
een meer dan lichte schok door me heen. Willy van der Heide. De man
die mij zoveel onvergetelijke uren had bezorgd met zijn boeken over
de avonturen van Arie Roos, Jan Prins en hun Amerikaanse vriend Bob
Evers. Met prachtige titels als Kabaal om een varkensleren koffer (geen enkel boek heb ik zo vaak gelezen), Een
motorboot voor een drijvend flesje
, Trammelant op Trinidad en Wilde
sport om een nummerbord
.
Tweeëndertig delen verschenen in gebonden vorm (met mooie, zeer
herkenbare stofomslagen) in de periode 1950-1963. Vanaf 1967 zijn
ze allemaal in pocketvorm heruitgegeven (en ook nu nog verkrijgbaar).
Na de dood van Willy van der Heide in 1985 heeft Peter de Zwaan de
serie met een gemiddelde van één deel per jaar voortgezet.
Voor mij houdt de Bob Evers-serie echter op na deel 32.

Van der Heide’s
boeken onderscheiden zich opvallend van alle andere jongensboeken
die in de jaren vijftig verschenen – zelfs
als die ‘spannend’ waren. In dat laatste geval beleven
de hoofdpersonen weliswaar een paar aardige avonturen, maar de tegenstand
bestaat toch uit niet meer dan overspannen dorpsagenten, lastige
pleegouders of op z’n hoogst een goedwillende amateurboef.
Arie Roos, Jan Prins en Bob Evers echter gebruiken de grotemensenwereld
als speelterrein. Ze bevechten internationale misdadigersbendes,
die zich bezighouden met deviezen- en schilderijensmokkel, mensenhandel,
muiterij of diamantenroof. Het decor van hun avonturen wordt gevormd
door tropische eilanden en ontelbare plaatsen in Nederland, de Verenigde
Staten, Zuid Afrika, Mexico, Marokko, enz. Bovendien is de financiële
situatie van de drie HBS-ers bepaald rooskleurig te noemen – en
dat heeft gevolgen voor hun levensstijl. Gereisd wordt er bij voorkeur
in taxi’s, gehuurde auto’s, jachten en vliegtuigen. De
noodzakelijke nachtrust (je wordt moe van al dat avonturieren) vinden
de drie vrienden hoofdzakelijk in hotels en daar laten ze zich ook
graag een goede maaltijd voorzetten – bij voorkeur opgediend
op hun kamer. Als eenvoudig lezertje in die tijd kreeg je een kwartje
zakgeld per week en met vakantie ging je naar de Waddeneilanden.
Geen wonder dus dat de Bob Evers-serie immens populair was. Met alles
wat in de jaren vijftig belangrijk was – onvoorwaardelijk gehoorzamen
aan volwassenen, geloven dat de wereld voor altijd in elkaar zit
zoals hij in elkaar zit, beleefd zijn, gepoetste schoenen en gekamde
haren hebben – werd een loopje genomen. Volwassenen moesten
vanwege dat ‘slechte’ pedagogische voorbeeld meestal
niet veel van de boeken hebben en christelijke bibliotheken boycotten
ze zelfs openlijk.

Jaren nadat ik mijn jongensheldenverwekker op
een avond lallend in een café tegenkwam, schreef ik voor Vrij
Nederland
een artikel over de Bob Evers-serie. Het was een aflevering
in een zomerserie
getiteld ‘Confrontatie met de helden uit de jeugd’. Dat
stuk leverde me de nodige reacties op en ik kwam in contact met leeftijdsgenoten
die dezelfde soort herinneringen aan de boeken hadden als ik en die
ze – ook net als ik – regelmatig (en soms zelfs vaak)
herlazen. Zo kwam ik langzaam maar zeker terecht in de wereld van
Bob Evers-fanaten. Keurige mannen met dito banen, die elkaar probeerden
af te troeven op hun detailkennis van de 32 delen. Eerst ging dat
nog per brief en fax, later vooral per e-mail. Ik heb me zelf regelmatig
beziggehouden met het napluizen van tekstuele verschillen tussen
de gebonden boeken en de pockets – een boeiend onderdeel van
de Bob Evers-kunde.

Sinds 1992 worden er periodiek bijeenkomsten georganiseerd,
waar gemiddeld zo’n honderd uitgekookte liefhebbers op af komen.
Het Kaageiland – dat in de serie op verschillende manieren
een rol speelt – is mijn favoriete lokatie. Bij zo’n
gelegenheid worden boeken geruild en verkocht, kun je meedoen aan
een quiz en luisteren naar toespraken van degenen die zich bekwaamd
hebben in een niche van de Bob Evers-wetenschap. Echte diehards begeven
zich regelmatig in kleine groepjes naar vanuit Bob Evers-standpunt
gezien belangrijke plaatsen in Nederland. Een nachtelijk tochtje
naar Zuid Beveland – waar zich onder de Zeeuwse hemel een van
de fraaiste scènes uit de serie afspeelt – wordt daarbij
niet uit de weg gegaan. Bijna tien jaar bestond er een twee keer
per jaar verschijnende papieren Bob Evers-nieuwsbrief, waarin ik
een vaste column schreef. Inmiddels is er een elektronische versie.
Op internet kun je wel twintig Bob Evers-sites bezoeken.

Het doet
de vraag rijzen of de Bob Evers-fanaat een bepaald mensentype is.
Ik denk van wel. Bob Evers-gekken zijn individualisten, loners misschien wel. Ze hebben – in tegenstelling tot de schepper
van hun helden, die een nogal rumoerig leven leidde – geen
behoefte aan groot gezelschap en willen ook niet in het middelpunt
van de belangstelling staan. Het zijn stille genieters, die ingehouden
lachen om de uit den treure herhaalde grappen over Jan’s zuinigheid
en Arie’s eetlust – en die dat tientallen jaren volhouden.
Bob Evers-liefhebbers willen hun passie wel delen met anderen, maar
alleen als die ander er blijk van geeft een serieuze gesprekspartner
te zijn. Wie zegt Bob Evers te kennen maar niet weet hoe de chauffeur
van de truck van The Galleries in het Amerikaanse avontuur met Specs
Hildebrant heet, valt buiten de boot. Hem wordt niets kwalijk genomen,
maar hij hoort er gewoon niet bij. We wensen hem het allerbeste,
maar laat hij zich verder niet in de discussie mengen. We kijken
niet op hem neer, maar hij is toch niet een van ons. Want de spoeling
is dun. Bob Evers-gekken houden het kringetje graag klein en exclusief.
Laat de buitenwereld maar denken dat we mesjogge zijn om ons als
veertigers en vijftigers bezig te houden met jongensboeken uit de
jaren vijftig. Hoe meer onbegrip, hoe beter.

In oktober is er weer
een bijeenkomst voor kenners. Dit keer in Mijnsheerenland, achter
Rotterdam. Vraag me niet waarom die plaats is uitgezocht:
hij heeft in elk geval niets met de serie te maken. Ik moet wel weer
een nieuwe column schrijven en aan mijn Bob Evers-vrienden voorlezen.
Aan onderwerpen geen gebrek. Die 32 delen zijn een onuitputtelijke
bron van vermaak.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Henk Bergman

Henk werd geboren in april 1947. Zijn moeder heeft hem altijd voorgehouden dat hij zijn eerste maanden heeft overleefd dankzij de uitzonderlijk mooie zomer van dat jaar. Zijn kennelijk te wensen overlatende gezondheid zou veel baat hebben gehad bij het dagelijkse verblijf in een kinderwagen in een tuin in het Gelderse Putten. Henk heeft na de studie algemene politieke en sociale wetenschappen aan de UvA altijd in de uitgeverij gewerkt. Hij was onder meer hoofdredacteur van Intermediair en uitgever van het Aula-boekenfonds. Sinds 1985 is hij zelfstandig. Zijn specialismen zijn recht en belastingen; over die gebieden schrijft hij en heeft hij tijdschriften, boeken en websites gemaakt. Hij is nog fulltime actief; de woorden ‘minder werken’ roepen zijn weerzin op. Henk was pop-recensent bij Het Parool, liep vier keer een marathon, beschouwt de memoires van Casanova als de beste boeken die hij ooit heeft gelezen en Le genou de Claire als de beste film die hij ooit heeft gezien. Hij woont in Limmen.