
Mijn broer en zijn vrouw leefden als echte kolonialen in de buurt van Djakarta en hadden, als je een beetje tegen de hitte kon, een luizenleventje. Ze stuurden zo nu en dan een pakje in een dichtgesoldeerd blik, dat bij aankomst weer open gesoldeerd moest worden. Er zat altijd koffie in, Javaanse koffie, die in Nederland alleen gebruikt werd in melanges zoals DE-rood. Ongemengd was dat goedje niet te zuipen. Verder bevatte het pakje wat snuisterijen van Javaans houtsnijwerk en die prullen zetten wij op de schoorsteen. Als je geluk had zaten er wat sieraden in van Javaans zilver en die konden heel mooi zijn. Het bizarste object dat we ooit kregen was een schemerlamp van een uitgesneden kokosnoot op een poot, en daaromheen moesten allemaal mannetjes gezet worden die een gamelanorkest vormden. Later bleek dat dit object helemaal niet voor ons bedoeld was, want eenmaal voorgoed terug in Nederland werd het door mijn schoonzus Aagje opgeëist. Wij zaten daar niet mee; ze mocht alle prullen zo meenemen. Graag zelfs.
Tot ieders verbazing kreeg Aagje een kind, een meisje. Onbevlekt ontvangen? Dat was de vraag, want hoe kon iemand die bang was van mannen zwanger raken. Niet lang daarna was het tijd voor hun verlof van een half jaar en daarvoor kwamen ze naar Nederland. Met een baby drie weken op een schip, maar in een iets betere hut. Ze voeren met de Willem Ruys en kwamen zodoende in Rotterdam aan. Mijn broer had een vrijgevige bui en daaro gingen we per taxi naar Amsterdam. Ik weet ook niet hoe we dat anders hadden moeten doen met al die bagage, 5 personen en een huilende baby. Het gezin logeerde een paar dagen bij ons en de baby mocht in de kinderstoel die mijn vader voor mij gemaakt had en had laten beschilderen. Later, toen ik zelf een kind kreeg, was die kinderstoel opeens verdwenen. Mijn lieve schoonzus had hem doorgegeven aan onze Maassluisse neef Dirk, die niet van zins was om hem aan mij, de rechtmatige eigenaar, af te staan, totdat mijn moeder ingreep.
Het verlof werd vooral besteed aan familiebezoek en daarvoor trokken ze het hele land door. Wij zagen ze niet vaak. Gelukkig maar, want een van de weinige keren dat ik ze zag, dwong mijn schoonzus Aagje mij mijn haar af te laten knippen. Mijn ouders waren het er niet mee eens, maar wilden geen ruzie en aan mij werd niets gevraagd. Ik heb een week gehuild. Na zes maanden gingen ze gelukkig weer terug, voor onbepaalde tijd. Tot ze voorgoed weg moesten.
———-
De tekening is van de schrijfster
