
Een koets met zwarte paarden rijdt langszij. Ik stap in en de wielen zetten zich langzaam in beweging. Hij brengt me naar het ziekenhuis, naar het mortuarium. Aan mijn voeten ligt, uitgestrekt op een lorrie, mijn broer Jaap. Heel stil. Zijn gezicht ziet wit. Vochtige haarpieken plakken op zijn voorhoofd. Onhandig zijn de sporen bloed gewist.
‘Eigenlijk weinig aan te zien,’ zegt de broeder die de lorrie uit de koelcel heeft gereden: ‘dat ziet er soms heel anders uit.’
Ik buk me. Wil hem oppakken. Hem in mijn armen nemen. Warmen. Weghalen uit deze ijzige omgeving. De broeder houdt me tegen: ‘nee niet aanraken. Het lichaam is in beslag genomen. Er moet obductie worden gedaan. Dat begrijpt u toch wel?’
Obductie? Vervreemd luister ik naar wat de broeder verder nog allemaal in zijn vak is tegengekomen.
Jaap laat ik achter. Zonder verzet.
1953(2)
Mijn nichtje Lena houdt van leren. Ze is een slimme meid. De hoofdonderwijzer van de kleine dorpsschool heeft ervoor gezorgd dat ze naar de mulo mag. Als ze die doorlopen heeft, mag ze verder leren voor onderwijzeres. Mijn oom en tante hebben alleen gezucht: ‘Wie gaat dat allemaal betalen.’
De nonnen op mijn school geven geen advies. Ik ben na de grote vakantie naar de zevende klas gegaan. Dat is de gewoonte bij ons op school. De belangrijkste taak voor een vrouw is zorgen voor een gezin, dus leer ik koken, naaien en breien.
Minutenlang wacht ik in een rij voor de lessenaar van de zuster om een gestikt naadje te laten zien. Is het goed dan mag ik weer verder. Mijn puddinkjes willen niet lukken. Ze zakken steeds in. Na de les moet ik ze zelf opeten. Ik lust geen pudding. Als de zuster even niet oplet, schep ik het in een servet, stop het in mijn schortzak en spoel het later door de wc.
Op een dag verzamel ik al mijn moed bij elkaar en stap naar Zuster Brigitta, de hoofdzuster van de meisjesschool. Zes jaar eerder heeft ze me samen met vijf andere kinderen uit de kleuterschool gehaald waar ik met klei speelde, mooie liederen zong en bad voor onze Jantjes in de Oost.
Ze brengt ons naar de eerste klas en loopt met vlugge voetstappen voor ons uit over het pad dat de kleuterschool met het hoofdgebouw verbindt. Haar slanke enkels in zwarte kousen ontsnappen net aan het donkere habijt. Halverwege draait ze haar hoofd om en terwijl de dunne stof van de sluier in haar gezicht wappert, kijkt ze vanuit de hoogte met een glimlach op ons neer. Even denk ik dat een engel uit de hemel is neergedaald, weliswaar een zwarte engel maar het versterkt mijn gedachte dat er behalve vrouwen en mannen nog een derde soort bestaat: eentje die niet hoeft te poepen of te piesen.
Zit ik elke dag opnieuw met samengeknepen dijen en twee opgestoken vingers in de schoolbank te wippen, wachtend op het verlossende woord, nooit zie ik een non het wc-hokje ingaan of verlaten. Ze lijken onmiskenbaar ontheven van de vernederende noodzaak hun broek te laten zakken en steunend hun behoefte te doen. Terwijl ik door darmkrampen overvallen steeds weer gedwongen word tot die beschamende tocht naar de wc. Waar ik in wanhoop om me heen kijk en naar de bruine vegen op de muur: weer geen wc-papier!
Zuster Brigitta zit op haar lessenaar in het lokaal waar ze de kinderen uit de twee hoogste klassen les geeft. Het is halfvier geweest en de banken voor haar zijn leeg. Mijn wangen gloeien zo verlegen als ik ben: ‘Kan ik misschien nog naar de mulo?`
In de stilte die volgt hoor ik de stofjes bijna vallen die in het licht van de middagzon naar beneden dwarrelen. Secondenlang – of zijn het minuten – kijk ik naar de peinzende blik op haar sereen gezicht. Eindelijk bewegen haar lippen, ze opent haar mond: ‘Nee dat kan nu niet meer,’ klinkt het zacht maar heel beslist.
Het is mijn eigen domme schuld. Ik had die vraag eerder moeten stellen. Je hoort net als Lena na de zesde klas naar de mulo te gaan en ik zit al in de zevende.
Wordt vervolgd,
———-
De snoezige tekening is van Jille van de Veen.
Meer informatie: https://www.helenenjille.nl/
