Meermaals per jaar trok ze solo door Frankrijk, obsessief speurend naar erotische Franse literatuur en fictie uit de 19e eeuw, vreemd genoeg bij voorkeur in frakturschrift. Thuis waren de huiskamerwanden dichtgemetseld met zware, met leer gekafte boeken, de meeste met imponerend gouden opsmuk. Simone, mijn moeder, was lerares Frans aan de Hogereburgerschool voor jongens, Sint-Bonaventura in Leiden. Met de hoogste klas ging ze, volgens een strak excursieprogramma, in herfstvakanties naar Parijs. Ze wisselde la Métropole voor Lille nadat Laurens, een van haar lievelingsleerlingen, in 1961 onder Pont Neuf was verdronken in de Seine. Ze walgde van francofiel gedrag van Nederlanders waardoor ze ooit overstapte van Gitanes op Chief Whip, twee doosjes per dag. Tijdens haar zwangerschappen rookte ze gewoon door, nooit een ongeboren dood kind gehad. Zwanger zijn en baren vond ze alleraangenaamst. Tot aan haar dood in 2004, de laatste jaren enigszins kinds, bleef ze mannen verleiden.

Leiden, 1943 – Moeder tijdens de bezetting. Is Bernadette van een Duitser?
Haar tien jaar oudere man Cornelis werd binnen het gezin vader genoemd. Hij was leerkracht lichamelijke opvoeding aan de MMS. Met zijn meisjes gaf hij eindejaarsopvoeringen ritmische gymnastiek in de Leidse Schouwburg. Hij kreeg landelijke bekendheid met zijn turnlessen voor senioren bij Sportvereniging MSV (Met Sprongen Vooruit) in Noordwijk. De komische turnacts die ze uitvoerden werden vertoond in het televisieprogramma Van Gewest tot Gewest.
Overdadig bezoek door vrienden van mijn ouders, broers en zussen veroorzaakte dwaze drukte in ons ruime huis aan de boulevard in Katwijk. In de zomervakanties kwamen daar bovenop neefjes en nichtjes logeren.

Katwijk, 1954 – Oudste broer Lodewijk, turnkampioen Zuid-Holland, doet het goed bij de badgastmeisjes.
Bernadette, mijn oudste zus, had kort verkering met Bert, oud-leerling van moeder. Op zeventienjarige leeftijd is haar ongewenste zwangerschap in Engeland beëindigd. Moeder was 42 toen het jongste zusje werd geboren, ze werd Pindaatje genoemd vanwege haar licht getinte huidskleur. Ik ben geboren in 1949, nummer acht uit tien. Mijn neus is als die van oom Jan Koopman. Tien kinderen! Een meervoud daarvan had moeder aan minnaars. Het biblebelt-dorp vond ons gezin te werelds, maar liet ons gek genoeg met rust.

Katwijk, 1956 – Moeders minnaars: Abderrahmane, DKW-dealer Smit en oom Jan Koopman.
Met een groepje medekatholieken fietste ik dagelijks door de duinen van Katwijk naar de lagere Sint Jozefschool in Noordwijk. We speelden uitrokertje in de lange gangen van WO II-bunkers. De ene groep rookte de andere uit door helmgras in de fik te steken, achter de luchtstroom kreeg je geen ademnood. Bijna-verstikkingen waren geen uitzondering. Laagvliegende Lockheed Neptunes van Marinevliegkamp Valkenburg gaven ons ‘vuile oorlogsspel’ harde werkelijkheid. (Trouwens, over de periode ’40-’45 werd thuis met geen woord gerept.) Primitieve krijttekeningen van pikken, tieten en kutten op de metersdikke bunkermuren waren mijn eerste porno-ervaring. Er waren gekalkte teksten in groenteboeren-Duits: ‘Dame dame wat kost eine liebe? Nichts! Aber dat gefriemel an der piemel kost ƒ2,50.‘ Dichtgeknoopte rubbertjes en penetrante pislucht omgaven de prikkelgraffiti.

Katwijk, 1960 – In de ‘gezellige bunker’ met buurmeisjes Pia en Anneke en politiehond Lambiek.
Thuis keken ze er niet van op als ik dagen wegbleef en logeerde bij m’n vriend Fons van Rijn uit de Voorstraat in Noordwijk. Ma Martine was pas een echte moeder: lief en zorgzaam. Pa Paul daarentegen een zakkenwasser. Hij sloeg mij even hard als z’n eigen kinderen. Een mooie bijkomstigheid: pa was eigenaar van bioscoop Royal Theater. Soms mochten we achterlijke kinderfilms zien. Stiekem zagen we alle matinees. Door een raampje bereikten wij het podium achter het doek en zagen zo volwassen films levensgroot in spiegelbeeld voorbijflitsen. We zaten er middenin, met bulderende speakers aan weerszijden.
Vaak wilde ik gewoon een paar dagen alléén thuis zijn. Door een verzonnen beroerdheid hoefde ik niet naar school. Ik knutselde een radar van koperdraad uit een fietsdynamo, monteerde die op de pick-up en zette de constructie op de dakkapel. Het nutteloze detectietoestel werd vervolgens aangesloten op de Blaupunkt Sultan-buizenradio in de woonkamer. De luidspreker galmde een golvende ruis die bij 78 toeren supercool klonk.
Op snuffeltoer ging ik graag. Plompverloren zag ik onze huisvriend, de getrouwde en protestante DKW-dealer Smit, met moeder in bed vozen. Hij gaf me vijftig piek zwijggeld, een godsvermogen in 1957.
Moeder nam regelmatig een sabbatical voor studies aan de Sorbonne. Ze behaalde diverse Certificat universitaire, onder andere écriture et argots du XIXe siècle. Haar laatste zwangerschap nam ze eveneens mee uit Parijs. Abderrahmane, professeur de culture algérienne, de verwekker van Pindaatje, kwam vaak naar Katwijk. Hij bracht voor iedereen Algerijnse snuisterijen mee, van berberkleedjes tot bedelkettinkjes. Vader was fanatiek fotoverzamelaar van vrouwen in oorlogstijd, hij kreeg van Ab foto’s uit de serie Femmes algériennes van regimentsfotograaf Marc Garanger. Hun sluier was op last van de Franse legerleiding afgenomen. In de ogen zag je verwarring, schaamte, woede, minachting en trots.

Katwijk, 1957 – Pindaatje in een afdankertje van nicht Roos.
Regelmatig kon of wilde ik niet slapen. Eind januari 1965 rondom middernacht, ik was verzonken in De Bloeiende Cactus uit mijn verzameling Dick Bos, klonken kortbij mijn zolderkamer de diep grommende props van een klimmende Neptune bovennormaal. Ik vloog naar het dakraam en zag het patrouillevliegtuig niet ver van de strandlijn, veel te laag boven zee. Plotseling stak de neus bijna verticaal, waarna het maritieme toestel in zee plonsde. De enorme vuurbal die volgde kreeg de vorm van een paddestoel. De Kattekkers waren massaal naar het strand gekomen, boven de golven was niets meer te zien. Al snel ging het gerucht rond dat dronken, ongekwalificeerde joy-vliegers – twee monteurs van Vliegkamp Valkenburg – hun dodenvlucht hadden gevonden.
Pa Paul, de stichtelijke bioscoopdirecteur, knipte zelfs licht pikante scènes uit films die notabene waren vrijgegeven door de Katholieke Film Centrale. Jeugdvriend Fons, inmiddels producent van Franse animatiefilms in Annecy, belde me dat pa was gestorven. Als de wiedeweerga begaf ik me naar Noordwijk. Royal Theater stond er troosteloos bij. Een container afgeladen met Polygoon Journaals stond in het achterommetje. Hoopvol doorzocht ik het imposante theaterpand, op zoek naar de overdreven gecensureerde 35mm filmframes met diepe decolletés, jarretels, billen, zwoele lippen en strelingen van diva’s uit de vijftiger en zestiger jaren van de twintigste eeuw. Verdomd! Onder getaande scheepszeilen, op de door duiven bescheten theaterzolder vond ik een grote hoeveelheid uitgeknipte filmfragmenten in Pauls koekjestrommelverzameling. De hypocriete vondst mocht ik vanzelfsprekend houden. Willekeurig plakte ik de halfvergane filmframes achterelkaar. De montage, omgezet in slowmotion-video, betitelde ik Chasse aux seins (Tietenjacht) en werd aangekocht door het Stedelijk Museum Amsterdam voor de tentoonstelling the luminous image in 1984.
Vader en ik waren échte vrienden. Alsof ik dat al niet wist, fluisterde hij een paar dagen voor zijn dood dat hij z’n hele leven volledig onvruchtbaar was. Zijn grote liefde, mijn moeder, noemde hij mannenverzamelaarster. Op zondagavond 4 oktober 1992 blaast hij zijn laatste adem uit, praktisch op hetzelfde moment als het Boeing 747-vrachtvliegtuig van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al neerstort op de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg in de Amsterdamse Bijlmermeer. Aan zijn sterfbed denk ik terug aan de molotovcocktail Neptune die net niet op ons dorp Katwijk was gecrasht.

Katwijk, 1960 – Bernadette net terug van ‘de speciale behandeling’ in Engeland.
———-
De foto’s zijn geleverd door de auteur.
