Brief uit ...

In Zwitserland (4)

Legionaires Etrangères

Wim. die hier al enkele jaren in zijn functie als reisbegeleider voor instellingen kwam, bleek totaal niet onder de indruk van de verdwijning van twee van zijn deelnemers. ‘Al drie keer eerder meegemaakt’, zei hij, ‘dat op de laatste avond voor vertrek naar Nederland er een paar de benen nemen. En meestal duiken ze na een paar dagen weer op’. ‘En dan?’, was mijn vraag, ‘moet ik ze dan aangeven bij de politie, gaan ze de cel in of moet ik ze hier huisvesten en in de bus die een week later komt terugsturen? ‘De vorige beheerder maakte korte metten met te laat teruggekeerde spijtoptanten’, wist Wim. ‘Die liet de politie komen, die ze met plezier soms wel vijf dagen in de cel liet doorbrengen, waarna ze op donderdagmorgen weer werden afgeleverd voor het bustransport naar Rekken of een andere inrichting in Nederland.

Terwijl de maaltijd meestal zonder lawaaierige gesprekken plaatsvond had nu iedereen wel iets te vertellen over de verdwijning van de twee jongens. Ik wist wat me te doen stond: de politie bellen. Tegelijk voelde ik me enigszins bezwaard want zowel Wim als begeleider en ik als hotelbeheerder waren de hele dag afwezig gewest. Tenslotte waren onze gasten geen ‘normale vakantiegangers’. Of onze afwezigheid geoorloofd was zou ik wel horen van de plaatselijke gendarmerie, die beloofde vanavond nog naar ons hotel te komen. Waarschijnlijk om proces-verbaal op te maken, en dat dan voor de tweede keer in een week na het incident met de twee vrouwelijke deelnemers. Erg populair maakte dat me niet bij het politiebureautje. Maar ik gaf ze wel werk te doen in dit dorp waar natuurlijk nooit iets gebeurde. Zo zou je ‘t ook kunnen zien, bedacht ik optimistisch.

‘Er zijn trouwens ooit twee jongens die niet kwamen opdagen voor de terugtocht, spoorloos verdwenen’, wist Wim, ‘vermoedelijk de grens overgestoken naar Frankrijk, waar niet eens zo ver hier vandaan een wervingsbureautje is waar je je zonder veel moeite kunt inschrijven voor het Legion Etrangère. Dat was drie jaar geleden en er is niets meer van hen vernomen. Ook hun ouders hebben nooit meer iets van hen gehoord. Maar zogezegd, de meesten duiken tijdelijk onder, wáár is me een raadsel, maar ze willen na korte of lange tijd toch wel weer graag naar Nederland, en zelfs naar de instelling waar hen een strafregime wacht’. Wim was uitgesproken en juist op dat moment kwam de politie aangereden in hun bergbestendige voertuig.

Het waren dezelfde mannen die een paar dagen eerder onze twee vrouwelijke deelnemers vanwege onzedelijk gedrag in hun cel hadden opgesloten en daarna een boete hadden geïncasseerd van 100 Zwitserse francs. Ik troonde ze samen met Wim naar mijn kantoortje en vertelde dat twee van onze gasten niet aan het avondeten waren verschenen en aan een van de anderen te kennen hadden gegeven dat ze niet van plan waren terug te gaan naar Nederland. Ik deed mijn verslag in de Duitse taal, dat beide politiemensen gelukkig voldoende verstonden, hetgeen nog tamelijk uitzonderlijk was in deze streek waar uitsluitend Schwizzer-dütsch werd gebrabbeld. Wim bleek zowaar in het bezit te zijn van een deelnemerslijst waarop de achternamen van de verdwenen André en Piet stonden vermeld. Of ze een strafregister hadden en of ze op de Interpol lijst stonden, was de eerste vraag.

‘Wat denk jij Wim? Jij kent ze beter dan ik, zijn dat hardliners, die André en Piet? Of duiken ze donderdagavond al weer op. En moet ik ze dan laten opsluiten of hier een extra weekje vakantie laten houden?’That’s up to you’, zei Wim, die het Schwizzer-dütsche taaltje kennelijk ook beu was. ‘In dit geval zou ik ze hier houden en in de tuin aan het werk zetten want je Italiaanse gastarbeider loopt er aardig de kantjes af’. Die Wim had ook overal oog voor. Maar hij had wel gelijk. De tuin had wel een opknapbeurt tegoed. We begaven ons naar de bar waar de conversatie nog uitsluitend ging over de verdwenen deelnemers. Het meisje dat als eerste had gemeld dat de twee niet van plan waren terug te keren naar ons land wist zelfs waar ze zich op dit ogenblik zouden kunnen bevinden.

André en Piet, beiden dus wist zij, hadden in het dorp een meisje opgescharreld waarmee ze zeer waarschijnlijk nu onder een dak verbleven. Ze wist zelfs waar ze woonden. Moest ik actie ondernemen? Ik was hondsmoe van de wandeltocht naar Sankt Moritz, ook Wim toonde weinig animo om alsnog een zoektocht te ondernemen. En wellicht zouden ze morgen zomaar weer kunnen opdagen. Want elke Zwitser, dus ook de meisjes die volgens onze informant onderdak boden aan de gezochten waren zoals bekend als de dood voor gezagsdragers, inclusief de twee politiemannen. Met deze geruststellende gedachte ging ik op weg naar mijn slaapvertrek.

(Wordt vervolgd)

———

De tekening is van Henk Klaren


Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>