Feuilleton

Baksteen 34 – De Oldehove hersteld

Rond 1900 verkeerde de Oldehove in slechte staat. Het begon stenen te regenen die bovenin loslieten. De directeur van Gemeentewerken in Leeuwarden, W.C.A. Hofkamp liet de omgeving met hekken afzetten om voorbijgangers te beschermen. Hij ontdekte dat de zuidoostelijke en de noordwestelijke helft van de toren tegen elkaar aan schuurden. Vooral als de klokken geluid werden was dat erger. Op zijn verzoek besloten B&W in 1902 om de klokken niet meer te luiden. Hij maakte ook een restauratieplan waarmee de gemeenteraad instemde. De landelijke overheid was zich in die tijd bewust geworden van de monumentenzorg en besloot de helft van de kosten bij te dragen: een bedrag van 12.500 gulden, dat na afloop van de werkzaamheden nog verhoogd werd tot 15.000 gulden.

Onderzoek

Hofkamp deed eerst bodemonderzoek om erachter te komen waarom de Oldehove zo was verzakt. Hij groef diepe gleuven aan de voet van de toren en vond de hoogste laag zand op 9 meter onder de toren. Maar: ‘Dit zand is tamelijk vast maar de laag daarvan niet dik en onder deze bevindt zich een veel zachtere stof die bij het heien weinig weerstand biedt en tot op grote diepte gelijk blijft.’

Op die zandlaag lagen 4 meter veen en kleilagen en 4 meter ‘gemengde grond’ waarmee bedoeld wordt de in grond omgezette afvalresten waarmee de terpen in Friesland zijn opgehoogd. Tot dat afval behoorden ook de resten van de plaggenhutten die als woning dienden en met enige regelmaat vervangen moesten worden.

Bouwmeester Van Aken had in 1500 ook gevonden dat er geen stevige zandgrond onder de toren lag en had daarom een fundering gemaakt van lagen kalk, klei en beton die als een vloer onder de toren lijkt te liggen. Hofman: ‘Maar dan heeft hij zich toch deerlijk vergist, want zijn beton miste de bewapening en hij kon slechts beschikken over gewone kalk, die in de grond al heel weinig vastheid beloofde. Waarschijnlijk heeft hij, als uit Aken afkomstig, dat meer nabij de vindplaats van waterkalk gelegen is, groter vertrouwen aan kalk in ’t algemeen geschonken en de onze als even goed aangezien.’ Hofman twijfelt niet aan de goede bedoelingen van de bouwmeester uit 1500 maar constateert dat er een ‘zacht kussen’ onder de toren is gelegd dat hem nog verder ‘van de wijs’ heeft gebracht.  

Mijn conclusie: de ondergrond was ongeschikt om zo’n zware toren op te bouwen en de maatregelen die wel genomen waren hebben het er niet beter op gemaakt.

Terzijde: er wordt soms een vergelijking getrokken met de Martinitoren in Groningen, die wel de gewenste hoogte heeft bereikt. Daar had de toenmalige bouwmeester het tij mee en bleek op een stevige zandrug te bouwen.

Herstellingen

Hofman heeft voor de herstelwerkzaamheden begonnen goed om zich heen gekeken en veel verbeteringen gezien. Hij ging met Rijksbouwmeester Cuypers naar de kerktoren van Oirschot die voor een deel was ingestort en zag dat daar met het toen nieuwe materiaal staal werd gewerkt. Hij besloot dat ook in de Oldehove toe te passen en heeft dus veel houten verbindingen vervangen door staal. Daarbij bleek ook dat de kwaliteit van het gebruikte hout op plekken te wensen overliet.

De herstellingen van Hofman zijn een succes gebleken, de Oldehove staat er nog altijd en de klokken konden ook weer worden geluid.

De foto van de grondboring komt uit het boek.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Dik Kruithof

Schrijft vanaf 2010 over museumbezoek in De Leunstoel omdat hij vaak naar musea ging en omdat de hoofdredacteur dat miste in zijn blad. Hij studeerde in Wageningen en werkte in de publiciteit, de sport, de ict en de politiek. Daarnaast was hij lange tijd actief in de schaakwereld, als schaker en bestuurder. Ook zat hij zes jaar in zijn woonplaats Leeuwarden in de gemeenteraad voor de PvdA.