
Het was 1975, op een dag in november, de dag dat Suriname onafhankelijk werd. Ik bevond me ergens in Amsterdam-Oost in een zaaltje. Ik kan het me nog maar vaag herinneren. Niemand, zowel de Nederlanders als de in Nederland verblijvenden of geborenen met Surinaamse roots, leek zich een voorstelling te kunnen maken van wat het effect zou zijn.
Op het feestje werd gesproken, er waren Kotomisis, optredens met muziek en dans. Maar de sfeer was lauw, ik had uitbundiger feesten meegemaakt in Surinaamse kring.
Volgens mij leefden de meeste Surinamers tussen hoop en vrees. Velen waren ook niet blij met de manier waarop het besluit was genomen.
De Nederlandse regering hoopte met de onafhankelijkheid op een stop van de op gang zijnde immigratie. Maar in plaats van afname van de komst uit Suriname, werd de stroom alleen maar groter.
En, ach ja, wat is er daarna veel gebeurd. Wat was er bij de instroom, zoals altijd, een weerstand bij vele Nederlanders. Dezelfde termen die de huidige buitenlanders ten deel vallen, werden ook toen gebezigd, terwijl de Surinaamse bevolking toch gewoon de Hollandse nationaliteit bezaten. En ook ‘er zaten zeven kikkertjes in een boerensloot’ op school hadden geleerd.
Het waren allemaal verkrachters, viezerikken, drugshandelaars en boeven.
Ik had begin jaren zestig een echtgenoot die een Surinaamse vader had, maar Suriname zelf nog nooit met eigen ogen had gezien. Er was woningnood; als ik een kamer of zoldertje had gevonden in Amsterdam mocht ik hem huren, maar als mijn man dan kwam kijken hadden ze plotseling een nichtje of een ander familielid die het optrekje ging huren. Ook heb ik vaak politieoptredens gezien waarbij donkere mannen uit hun auto werden getrokken en op de motorkap werden gefouilleerd. In dancings hadden vele kleurlingen geen toegang. De zogenaamde tolerantie hier was ook in 1976 nog ver te zoeken. Die kwam weer toen andere nieuwkomers, uit islamitische landen, de dupe van het racisme werden.
Wat waren de gevolgen van de onafhankelijkheid?
Er zijn vast mensen die dat kunnen analyseren.
Ik niet.
Was de burgeroorlog in 1986 een gevolg? Familie in Nederland stuurde voedsel, medicijnen en kleding.
In Suriname
Ik bezocht Suriname samen met mijn dochter in 2012.
Veel hoogte kreeg ik niet van het land en zijn bewoners. Het is ook een heel uitgestrekt en divers land en er wonen relatief weinig mensen. We leerden door simpelweg door het land te reizen veel mensen met verschillende achtergronden kennen.
Ons eerste verblijf was in een huis bij welgestelde mensen. Er was een zwembad en airco. In dezelfde buurt woonden mensen in vervallen houten optrekjes.
Daarna verbleven we in een Indianendorp, de houten huisjes hadden daken van golfplaat. Het lag aan de Saramacca rivier. De heer des huizes was de kapitein van het dorp. Hij had een redelijk groot stenen huis, maar te klein voor het aantal inwoners. Geen airco. Het was er erg heet en het stikte er van de muggen. We mochten, heel gastvrij, in het bed van de jongste dochter slapen.
Het dorp dat op een schelpenrits lag, had onverharde wegen en een kreek. Het leek idyllisch, maar arm.
We verbleven ook een paar dagen bij een Nederlandse vriendin van me. Zij was, net als ik, met een Surinamer getrouwd geweest. En leefde nu, gepensioneerd, weer een soortgelijk leven als ik. Zij in Suriname, ik in Portugal. De oorzaak was haar dochter. Die was na een studiereis in Suriname blijven hangen en was met een Boeroe getrouwd. Boeroes zijn afstammelingen van boeren, die met valse voorwendselen naar Suriname waren gestuurd in 1845 (aanrader: Karin Sitalsing in het boek: Boeroes).
De dochter werkte bij de Overheid en haar man had een reisbureau. Via dat reisbureau kwamen we op Anaula terecht. Een vakantiebestemming in het gebied van de Marrons met luxe houten lodges aan de rivier. We reisden met een bus van Paramaribo naar Atjoni. Daarna werden we op korjalen via verschillende stroomversnellingen in de rivier naar het oord gebracht. De natuur op het eiland en omgeving was wonderschoon. Prachtige bloemen, planten, bomen, vogels en ook kaaimannen. Vanaf Anaula bezochten we in het dorp Nieuw Aurora de zogenaamde kostgrondjes. Daar werden groenten en fruit verbouwd. De mensen woonden in heel eenvoudige houten huisjes. Heel veel vrouwen deden daar zware klussen, zoals met de hand van cement stenen maken en olie uit paranoten persen. De kinderen gingen naar school in een houten loods. Er waren altijd te weinig materialen en leermiddelen en men hoopte op hulp van buiten.
We mochten ook getuige zijn van de eerstesteenlegging van een nieuw Gezondheidscentrum daar, door de toenmalige minister van Gezondheid.
We maakten een fietstocht aan de overkant van de Suriname-rivier. We bezochten daar een oude suikerplantage. Ofwel, wat daar nog van over was, want de gebouwen en huizen stonden leeg. Hier was vroeger veel slavenarbeid verricht! We zagen ook de oude oorkonde met handtekening waarop de slavenhandel officieel was afgeschaft.
Aan die kant van de Suriname-rivier woonden veel Hindoestanen. Zij hebben veel eigen gebruiken. Bij elke gebeurtenis hoort een wimpel. Overal in de tuinen staan en hangen die. Aan het eind van ‘De weg naar zee’ is een Hindoestaanse begraafplaats en iets verderop een tempel met prachtige beelden van de vele Indiase goden.
Ook verbleef ik in het huis van een dame die wekelijks onderdak gaf aan de favoriete voetbalclub van Ronnie Brunswijk. Zijn moeder was haar vriendin, ze zaten samen in het bestuur van de Katholieke Kerk in de oude bauxietstad Moengo.
Bouterse was in 2012 nog president.
Suriname is alweer 50 jaar onafhankelijk, maar wat kan ik zeggen over de gevolgen daarvan? De enigen die daar iets over kunnen zeggen zijn de mensen die het zelf hebben meegemaakt en/of er zelf bij betrokken waren.
———-
De illustratie is van Katharina Kouwenhoven.
