Bij ons in de straat

Vrijstaand huis

Het idee dat iedere Nederlander in een vrijstaand huis wil wonen, zo’n huis waar je omheen kan lopen, is algemeen geaccepteerd. Maar met 18 miljoen inwoners is dat te veel gevraagd. Om in een vrijstaand huis te kunnen wonen moet je rijk zijn. 
Er is compensatie mogelijk in de recreatieve sfeer: een vakantiebungalow, caravan, yurt of tiny house behoort tot de mogelijkheden, maar dan moet je wel naar het platteland.
In stad of dorp heb je de merkwaardige 2 onder 1 kap, schuur of kippenhok in de tuin, het rijtjeshuis, de blokgevel of de hoogte in met een torenflat.

In tijden van woningnood – en in Nederland is bijna altijd woningnood – heb je niet veel te kiezen. Zeker niet in de categorie vrijstaande huizen. Die variëren van kasteel of paleis tot urban villa of bungalow. Paleis Soestdijk staat weliswaar te koop, maar is wel een beetje groot als je geen hofhouding hebt. Een landgoed of havezate, ook niet te versmaden, vergt veel onderhoud. Een urban villa, zoals aan de goudkust, is nog wel te doen, maar niet zo aantrekkelijk als de vrijstaande huizen bij het Vondelpark. Niet voor veel mensen weggelegd allemaal, dus 2 onder 1 kap misschien? Dat is geen vrijstaand huis, maar ook geen rijtjeshuis. Dat koop je voor later, voor 1 van je kinderen of je oude moeder. Dat ‘geluk’ heb ik niet gehad, want deze oude moeder woont nog steeds 3 hoog en dat is heel goed.

Rijtjeshuizen zijn ook heel populair. Ze wekken de indruk dat ze helemaal van jou zijn, maar je deelt je muren met die van de buren en die zitten vaak boven op je lip. In de grote stad hebben we veel te maken met blokgevels. De gevels beslaan een heel blok, maar de huizen niet. Die gevels kunnen best aantrekkelijk zijn, mits niet geïnspireerd op de DDR. De huizen zijn allemaal hetzelfde net als in een flatgebouw.

Door ruimtegebrek zal er meer en meer verticaal gebouwd worden. Dat is geen probleem als de architecten een beetje fantasie hebben. Maar een vrijstaand huis zit er voor de meesten van ons niet meer in. Gelukkig is een huis vooral wat je er zelf van maakt.
———-  
De illustratie is van de auteur.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Katharina Kouwenhoven

Wanneer onbekenden elkaar voor het eerst ontmoeten, vormen zij zich een indruk van elkaar, op basis waarvan zij besluiten of nadere kennismaking een interessante optie is. Voor het vormen van die eerste indruk hebben zij niet veel informatie tot hun beschikking: een paar uiterlijke kenmerken en wat minieme gedragsobservaties. Deze informatie kan worden aangevuld door elkaar wat korte vragen te stellen. De vragen die mensen elkaar stellen bij een eerste ontmoeting hebben praktisch altijd betrekking op biografische gegevens: hoe oud ben je, waar ben je geboren, wat doe je, waar heb je op school gezeten, waar woon je. Het merkwaardige is, dat al deze informatie - uiterlijk, houding, presentatie, biografische gegevens - helemaal niets zegt over met wat voor soort mens we te maken hebben, een psychopathische seriemoordenaar of een zachtaardige steunpilaar van de maatschappij. Toch willen we dat laatste graag weten. Als ik iets over mezelf wil zeggen, kan ik proberen nooit gestelde, maar wel prangende vragen te beantwoorden of me te beperken tot de informatie die normaal verschaft wordt bij een eerste ontmoeting. Ik denk dat ik me beperk tot het laatste, want dat is veelzeggend genoeg.Ik ben woonachtig te Amsterdam, alleenstaand, werkzaam, goed opgeleid en dol op bubbeltjeswijn.(Ik maak inmiddels ook tekeningetjes voor De Leunstoel.)