De wereldliteratuur roept

Vijf doden en een lichte toon

De laatste pagina van Zonderhond

Het zal in 1995 geweest zijn dat mijn zwager, een ernstige man met twee dochters op de huwelijksmarkt, me aansprak. ‘De jongste is nu aangekomen met een type dat zegt dat hij een roman gaat schrijven’. Zwager had zo zijn twijfels, dat was goed te horen. Ik ontmoette het jongmens, aardige vent, Bert Natter. Student Nederlands, of toch net niet meer, in ieder gevallen zag hij zijn toekomst in schrijven en redigeren en zo. Gezellige prater, over literatuur en journalistiek. De verjaardagen van mijn zwager en mijn schoonzuster bezochten we wel, maar deelnemen aan de feestelijkheden, daarvan kwam het eigenlijk nooit.
Wij stonden terzijde en kletsten wat af.

In 1999 hakte Bert de knoop door en sprak me toe:
‘Zeg Jan, zullen we vrienden worden, dan zijn we van die familie af’. Zo gezegd, zo gedaan. Een dagje uit. Een vorkje prikken. Bij elkaar over de vloer, ook met zijn Hester en mijn Marga erbij.

In 2000 overleed Bert zijn broer Wouter, half dertig. Hartstilstand. Het huwelijk van Bert en onze nicht Hester werd deswegen in alle rust voltrokken. Dat begreep ik.

In 2002 werd Rozemond geboren, kraambezoek. In 2004 kwam Lidewij. Maar er kwam nog altijd geen roman. Bert schreef heel wat af, werd zelfs een jaar hoofdredacteur van Rails, het glansblad van de NS. Hij schreef het Rijksmuseumkookboek, waarin beroemde eigentijdse chefs ooit geschilderde maaltijden tot nieuw leven brachten. Met Lidewij was iets niet helemaal goed, zo bleek naarmate ze de wieg ontgroeide. Gaandeweg werd duidelijk dat het helemaal niet goed was met de kleine meid, een genetische afwijking die, zo bleek na lang zoeken, bij een handvol mensen bekend was. Meervoudige handicap, om het maar even samen te vatten. De basisschool bleek te hoog gegrepen, Lidewij werd andere leerwegen ingestuurd. Het ouderschap viel niet licht, maar de ambitie bleef, een roman kon niet uitblijven.

En kijk eens aan, daar was ‘Begeerte heeft ons aangeraakt’, in 2008. De Selexyz Literatuurprijs werd bezorgd, de Lucy B. en C.W van der Hoogtprijs liet even op zich wachten maar werd in 2010 toegekend. Begeerte werd dus goed ontvangen, wat wil je ook, met een strofe uit De Internationale als titel.

En Bert schreef maar door, overigens tot genoegen van mijn zwager. Goede recensies, de Libris Literatuurprijs stak op een gegeven moment de neus aan het venster van de Nattertjes. Maar leven van de schrijverij, nee, dat was er nog niet bij. In januari 2025, bij de presentatie van zijn meesterstuk, Aan het einde van de oorlog, onthulde Bert hoe het toch allemaal had kunnen gebeuren. Hij wees naar Hester en vertelde dat zijn boeken er alleen maar konden komen omdat zij een goede baan had. Hilariteit. Het boek werd zeer goed ontvangen en ligt nu ter vertaling op werktafels in de VS, de BRD en een handvol andere landen. De Libris Literatuurprijs bemoeit zich er ook al mee: longlist maar weer eens.

Maar dit terzijde.

In 2018 breidde het gezin zich weer uit, met een hond nog wel, die door kat Gompie met een welgemeende klauw over de neus werd ontvangen: verhoudingen vastgelegd! Gompie heeft niet lang kunnen heersen, ze overleed kort na de komst van Hutsh. Bovendien was Hutsh er niet het type naar om zich door één kwaadaardige krab in de war te laten brengen. Zeker niet, hij was immers opgeleid tot blindengeleidehond, onder leiding van het Koninklijk Nederlands Geleidehondenfonds. Opgeleid, maar niet geslaagd, dat komt dus ook in blindegeleidekringen voor. Hutsh wilde niet traplopen, zo zat het. Maar haalde wel zijn getuigschrift Assistentiehond voor kinderen. Zo kwam hij in Baarn in beeld: zo een hond zou wel eens iets voor Lidewij kunnen zijn. En jawel hoor, zijn komst bracht vreugde aan. Lidewij en Hutsh bleken goed met elkaar over de baan te kunnen, de hond bleek een pedagoog in zich te verbergen, verbeterde zelfs Lidewij’s loopkunst en dempte haar uitbundige uitingen van teleurstelling en verdriet.

Toen Lidewij 16 werd, kreeg ze een plaats in een kleinschalige opvang die ze al snel ‘huis’ ging noemen en waar ze tierde. Hutsh mocht niet mee en werd zo grotendeels vrijgesteld van arbeid. Grotendeels, want elk weekeinde kwam Lidewij naar haar ouderlijk huis, tot groot genoegen van Hutsh.

Bert Natter, intussen, bleef maar schrijven, romans en, bij gelegenheid van de achttiende verjaardag van Lidewij, het mooie Leven met Lidewij, een verslag. Het is daarin dat buitenstaanders nader kunnen kennismaken met Hutsh. Na het verschijnen van Leven met Lidewij leek Natter te zwijgen. Andere besognes dienden zich aan. Zijn vader kreeg ernstige zorgen, zijn vrouw Alie kreeg Parkinson en gleed langzaam weg uit de werkelijkheid, zeer tot zijn verdriet. Hij overleed plotseling, in zijn slaap. En terwijl Natters moeder verslechterde, begon Hutsh kuren te vertonen: hij tierde niet meer maar was daar eigenlijk te jong voor om al af te takelen. Zo waren er dubbele zorgen: om de oude mevrouw en over de jong middelbare hond. Ze overleden kort na elkaar, Alie en Hutsh. Natter beschrijft al deze sores in zijn nieuwste boek, Zonderhond. Hoe droef hij bij elk overlijden is maar vooral, ook tot zijn eigen verbazing, om het overlijden van Hutsh met wie hij duizenden kilometers wandelde terwijl de rest van het gezin bezigheden buitenshuis had en met wie hij als geen ander verknocht raakte. Geen wonder dus, die droefheid. Maar niet alleen om Hutsh, waarschijnlijk want, zoals Natter in Zonderhond zijn boezemvriend Ronald Giphart citeert: ‘Je emmertje van verdriet loopt over, Bert’.

Al dat verdriet, al die tranen, verhinderen niet dat Bert Natter met Zonderhond een prachtig, geserreerd, bijna lichtvoetig verslag heeft geschreven over het langdurige bezoek van Hutsh aan zijn gezin, over zijn gezin, over de wederwaardigheden van de jongste dochter en hond Hutsh. Vooral ook over het overlijden van Hutsh die echt alle zorg krijgt, zoveel dat Natter opmerkt: ‘Voor een dier vind ik een hematoloog die meekijkt met een internist, best wel ver gaan’.

Een journalistiek verslag dat, om de lengte, ruim honderdtwintig bladzijden, wel in boekvorm moest verschijnen. Ik ken eigenlijk maar één blad waarvan de redactie zou aandurven een dergelijk stuk te publiceren, het onvolprezen weekblad The New Yorker. Nadat ik ben gaan tellen bleek me toch dat dit niet zou kunnen. Het langste artikel dat ik de laatste jaren in The New Yorker heb gelezen, besloeg twintig bladzijden. Zonderhond zou, in The New Yorker, uitkomen op veertig bladzijden.

Gedroom, maar de werkelijkheid is Zonderhond dat ik in één adem uitlas. Nou ja, het duurde iets langer. Ik heb een paar keer meegehuild met mijn vriend Bert.

Zonderhond, Bert Natter, Thomas Rap, 2026,

———

Het linoportret van Hutsh is van Rozemond Natter.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Jan Stoof