In de polder

Van niks naar nergens

Op een
grauwe herfstdag zijn ze op een grimmige manier mooi: Prosper&Hedwige
polder, in Zeeuws Vlaanderen, op de grens van Nederland en België. In de verte
steken de staketsels van de haven van Antwerpen en de walmende torens van de
kerncentrale in Doel de lucht in. We rijden over verwaarloosde wegen langs
deels verlaten boerderijen, met protestborden ernaast.

Hier en daar wordt het land onderbroken door die typisch Zeeuwse specialiteit:
dijkjes die van niks naar nergens lijken te gaan; restanten van polders die,
vaak als gevolg van een overstroming, opgegaan zijn in een andere. Er staan nog
wat koeien in een wei en een enkele akker oogt net omgeploegd.

Over een poosje zal daar waarschijnlijk niets van over zijn. Dan is het plan om
de toplaag af te graven en op een paar plekken de dijken door te breken
gerealiseerd en gaat het er net zo uitzien als het aangrenzende Verdronken Land
van Saeftinghe, een getijdengebied. Geen echte toeristische attractie
misschien, maar rondom zal toch vast enige vertrutting plaatsvinden: fietspaden
en knooppunten, de onvermijdelijke uitspanning met een parkeerterrein.

Dat zijn mijn eerste gedachten als we, na een bezoek aan het informatiecentrum,
over een dijkje lopen. Onder onze schoenen verzamelt zich een dikke laag
Zeeuwse klei. De vruchtbaarste grond van de lage landen, de boeren laten geen
gelegenheid voorbij gaan ons daarop te wijzen. Grond die ten koste van grote
offers tot ontwikkeling is gebracht, dat is een ander geliefd argument. De
natuurliefhebbers hebben er eigenlijk maar één: de industrie en de landbouw
krijgen bijna altijd voorrang en nu zijn wij een keer aan de beurt!

De directe aanleiding voor ons bezoek aan de regio was het boek ‘Dit is mijn
hof’ van Chris de Stoop. Een fantastisch boek, maar het zette mij af en toe wel
op het verkeerde been. Halverwege het boek begon ik mij pas te realiseren dat
hij zelf niet getroffen zal worden door het doorsteken van die dijk! De
boerderij waarin hij, na de zelfmoord van zijn broer en de opname van zijn
moeder in een verzorgingshuis, weer is gaan wonen, ligt namelijk in de
Zaligempolder (België). Mij zijn geen plannen bekend ‘het boeren’ daar
onmogelijk te maken. Toch is het boek niet alleen doortrokken van verdriet om
wat er gebeurd is, maar ook van de verwachting dat nog groter onheil in
aantocht is.

Enig begrip daarvoor is wel op zijn plaats. In de directe omgeving is eerst
veel landbouwgrond opgeofferd aan de uitbreiding van de haven van Antwerpen. De
boeren hebben daar dapper tegen geprotesteerd, maar uiteindelijk het onderspit
gedolven. In die strijd hadden ze de natuurmensen nog aan hun zijde, maar die
gooiden het later ineens op een (in de ogen van de boeren doortrapt) akkoordje
met de havenbaronnen. In ruil voor hun instemming met een uitdieping van de
Schelde kregen zij de toezegging dat er een paar polders aan de getijden zouden
worden teruggegeven. Tegen zo’n duivelsverbond is geen kruid gewassen, dat
lijkt de impliciete veronderstelling van De Stoop en andere boeren in de regio.
De volgende keer trekken wij vast weer aan het kortste eind.

De schrijver kan heerlijk tekeer gaan tegen het idee dat we ‘oude natuur’ (meer
specifiek de toestand van 1900, het officiële doel) kunnen terugbrengen. Daar
komt volgens hem niets van terecht. Het getijdengebied in wording wordt nu al
het domein van een gigantische hoeveelheid ganzen; bijgevolg wemelt het er
inmiddels ook van de vossen. De afgegraven toplaag zal, net als in het
Verdronken land van Saeftinge, binnen korte tijd vervangen zijn door een nieuwe
laag slib. Wordt dat echt interessantere natuur dan de boerenzwaluwen die
vroeger onder het dak van zijn ouderlijk huis nestelden? Goed punt, maar daar
moet wel bij aangetekend worden dat de klassieke, kleinschalige manier van
boeren die zijn ouders en zijn broer erop nahielden niet alleen bedreigd wordt
door havenbaronnen en natuurfetisjisten, maar ook door de tendens naar steeds
grootschaliger landbouw.

Onze chauffeur bracht nog een argument in van geheel andere orde.
‘Wat? Hier gaan ze dus een dijk doorsteken die nog niet zo lang geleden op
deltahoogte is gebracht. Dat dwingt ons vervolgens om de verderop landinwaarts
gelegen dijk te gaan verhogen. Hup, daar gaan weer honderden miljoenen. We
lijken wel gek.’
Niemand zag reden hem tegen te spreken.
Vervolgens ontdekte hij een rijtje bomen, blijkens een bord ernaast ooit
geplant door een reeks politici, om de actie tegen ontpoldering te steunen. Een
paar daarvan bleek hij persoonlijk te kennen. Na onze tocht namen we contact
met hen op en toen bleek dat de bitterheid inmiddels groter is dan de
strijdbaarheid. Hoewel één ervan, kort aangebonden, als volgt reageerde: ‘de
onteigeningsprocedure loopt nog en zolang de overheid het eigendom niet heeft
kan er niet gekapt en gegraven worden’.

Toch lijkt het zo langzamerhand onvermijdelijk dat de dijk inderdaad
doorgestoken gaat worden (al zal het wel weer wat later worden dan gepland).
Echt blij lijkt zo langzamerhand niemand meer, of het moet een enkele
natuurfanaat zijn, maar die moet er wel rekening mee houden dat dit een
Pyrrhusoverwinning zal blijken. Bestuurders, zeker in Nederland, zullen zich
niet snel meer voor zoiets lenen. Op internet kwam ik een klacht tegen
(gedateerd 23 oktober 2015) van Marco Glastra, directeur van Het Groninger
Landschap, waar boven stond: ‘Hedwigepolder gijzelt Eems-Dollard’. Ook daar
hebben natuurorganisaties, bedrijfsleven en overheden blijkbaar een plan
gemaakt voor verdieping van de vaargeul in ruil voor: ‘natuurherstel’. Maar
ach, nu aarzelt Minister Melanie Schulz met het zetten van de benodigde
handtekeningen.

Voor De Correspondent schreef Tomas van Heste een mooi en evenwichtig verhaal
over de hele kwestie. Hij verwees aan het slot van zijn artikel naar de, ook
door De Stoop aangehaalde, Engelse pleitbezorger voor het omzetten van
landbouwgrond in nieuwe wildernis: George Monbiot. Volgens laatstgenoemde kan
dat alleen maar als het zoveel mogelijk samengaat met het behoud van het
traditionele platteland en met instemming van de mensen; het mag ook niet gaan
om de vruchtbaarste gronden. Het is evident dat in de Hedwige&Prosperpolder
niet aan deze voorwaarden is voldaan en zelfs (gezien de laatste voorwaarde)
niet kon worden voldaan. Een andere benadering van de betrokkenen (één eigenaar
en een kleine 20 pachters) was natuurlijk wel denkbaar geweest.

Van Heste lijkt impliciet te pleiten voor de aanpak die gekozen is onder de vlag
van de Ecologische Hoofd Structuur. Het aanwijzen van gebieden waar ‘de natuur’
het dominante belang wordt en daar in overleg met de boeren inhoud aan geven.
Ze eventueel een rol geven in het beheer, of ze uitkopen, maar niet onteigenen!
Dat is een aanpak waar de landbouworganisaties welwillend tegenover staan.
Helaas is in het geval van de Hedwigepolder een andere weg gekozen.

PS. Het aanbod van de eigenaar om vluchtelingen op te vangen in de
Hedwigepolder kwam te laat om nog in dit stuk te worden verwerkt. Dat is maar
goed ook, want ik heb geen idee wat ik daar voor zinnigs over zou moeten
melden.




Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>
In de polder

Van niks naar nergens

Op een grauwe herfstdag zijn ze op een grimmige manier mooi: Prosper&Hedwige polder, in Zeeuws Vlaanderen, op de grens van Nederland en België. In de verte steken de staketsels van de haven van Antwerpen en de walmende torens van de kerncentrale in Doel de lucht in. We rijden over verwaarloosde wegen langs deels verlaten boerderijen, met protestborden ernaast.

Hier en daar wordt het land onderbroken door die typisch Zeeuwse specialiteit: dijkjes die van niks naar nergens lijken te gaan; restanten van polders die, vaak als gevolg van een overstroming, opgegaan zijn in een andere. Er staan nog wat koeien in een wei en een enkele akker oogt net omgeploegd.

Over een poosje zal daar waarschijnlijk niets van over zijn. Dan is het plan om de toplaag af te graven en op een paar plekken de dijken door te breken gerealiseerd en gaat het er net zo uitzien als het aangrenzende Verdronken Land van Saeftinghe, een getijdengebied. Geen echte toeristische attractie misschien, maar rondom zal toch vast enige vertrutting plaatsvinden: fietspaden en knooppunten, de onvermijdelijke uitspanning met een parkeerterrein.

Dat zijn mijn eerste gedachten als we, na een bezoek aan het informatiecentrum, over een dijkje lopen. Onder onze schoenen verzamelt zich een dikke laag Zeeuwse klei. De vruchtbaarste grond van de lage landen, de boeren laten geen gelegenheid voorbij gaan ons daarop te wijzen. Grond die ten koste van grote offers tot ontwikkeling is gebracht, dat is een ander geliefd argument. De natuurliefhebbers hebben er eigenlijk maar één: de industrie en de landbouw krijgen bijna altijd voorrang en nu zijn wij een keer aan de beurt!

De directe aanleiding voor ons bezoek aan de regio was het boek ‘Dit is mijn hof’ van Chris de Stoop. Een fantastisch boek, maar het zette mij af en toe wel op het verkeerde been. Halverwege het boek begon ik mij pas te realiseren dat hij zelf niet getroffen zal worden door het doorsteken van die dijk! De boerderij waarin hij, na de zelfmoord van zijn broer en de opname van zijn moeder in een verzorgingshuis, weer is gaan wonen, ligt namelijk in de Zaligempolder (België). Mij zijn geen plannen bekend ‘het boeren’ daar onmogelijk te maken. Toch is het boek niet alleen doortrokken van verdriet om wat er gebeurd is, maar ook van de verwachting dat nog groter onheil in aantocht is.

Enig begrip daarvoor is wel op zijn plaats. In de directe omgeving is eerst veel landbouwgrond opgeofferd aan de uitbreiding van de haven van Antwerpen. De boeren hebben daar dapper tegen geprotesteerd, maar uiteindelijk het onderspit gedolven. In die strijd hadden ze de natuurmensen nog aan hun zijde, maar die gooiden het later ineens op een (in de ogen van de boeren doortrapt) akkoordje met de havenbaronnen. In ruil voor hun instemming met een uitdieping van de Schelde kregen zij de toezegging dat er een paar polders aan de getijden zouden worden teruggegeven. Tegen zo’n duivelsverbond is geen kruid gewassen, dat lijkt de impliciete veronderstelling van De Stoop en andere boeren in de regio. De volgende keer trekken wij vast weer aan het kortste eind.

De schrijver kan heerlijk tekeer gaan tegen het idee dat we ‘oude natuur’ (meer specifiek de toestand van 1900, het officiële doel) kunnen terugbrengen. Daar komt volgens hem niets van terecht. Het getijdengebied in wording wordt nu al het domein van een gigantische hoeveelheid ganzen; bijgevolg wemelt het er inmiddels ook van de vossen. De afgegraven toplaag zal, net als in het Verdronken land van Saeftinge, binnen korte tijd vervangen zijn door een nieuwe laag slib. Wordt dat echt interessantere natuur dan de boerenzwaluwen die vroeger onder het dak van zijn ouderlijk huis nestelden? Goed punt, maar daar moet wel bij aangetekend worden dat de klassieke, kleinschalige manier van boeren die zijn ouders en zijn broer erop nahielden niet alleen bedreigd wordt door havenbaronnen en natuurfetisjisten, maar ook door de tendens naar steeds grootschaliger landbouw.

Onze chauffeur bracht nog een argument in van geheel andere orde.
‘Wat? Hier gaan ze dus een dijk doorsteken die nog niet zo lang geleden op deltahoogte is gebracht. Dat dwingt ons vervolgens om de verderop landinwaarts gelegen dijk te gaan verhogen. Hup, daar gaan weer honderden miljoenen. We lijken wel gek.’
Niemand zag reden hem tegen te spreken.
Vervolgens ontdekte hij een rijtje bomen, blijkens een bord ernaast ooit geplant door een reeks politici, om de actie tegen ontpoldering te steunen. Een paar daarvan bleek hij persoonlijk te kennen. Na onze tocht namen we contact met hen op en toen bleek dat de bitterheid inmiddels groter is dan de strijdbaarheid. Hoewel één ervan, kort aangebonden, als volgt reageerde: ‘de onteigeningsprocedure loopt nog en zolang de overheid het eigendom niet heeft kan er niet gekapt en gegraven worden’.

Toch lijkt het zo langzamerhand onvermijdelijk dat de dijk inderdaad doorgestoken gaat worden (al zal het wel weer wat later worden dan gepland). Echt blij lijkt zo langzamerhand niemand meer, of het moet een enkele natuurfanaat zijn, maar die moet er wel rekening mee houden dat dit een Pyrrhusoverwinning zal blijken. Bestuurders, zeker in Nederland, zullen zich niet snel meer voor zoiets lenen. Op internet kwam ik een klacht tegen (gedateerd 23 oktober 2015) van Marco Glastra, directeur van Het Groninger Landschap, waar boven stond: ‘Hedwigepolder gijzelt Eems-Dollard’. Ook daar hebben natuurorganisaties, bedrijfsleven en overheden blijkbaar een plan gemaakt voor verdieping van de vaargeul in ruil voor: ‘natuurherstel’. Maar ach, nu aarzelt Minister Melanie Schulz met het zetten van de benodigde handtekeningen.

Voor De Correspondent schreef Tomas van Heste een mooi en evenwichtig verhaal over de hele kwestie. Hij verwees aan het slot van zijn artikel naar de, ook door De Stoop aangehaalde, Engelse pleitbezorger voor het omzetten van landbouwgrond in nieuwe wildernis: George Monbiot. Volgens laatstgenoemde kan dat alleen maar als het zoveel mogelijk samengaat met het behoud van het traditionele platteland en met instemming van de mensen; het mag ook niet gaan om de vruchtbaarste gronden. Het is evident dat in de Hedwige&Prosperpolder niet aan deze voorwaarden is voldaan en zelfs (gezien de laatste voorwaarde) niet kon worden voldaan. Een andere benadering van de betrokkenen (één eigenaar en een kleine 20 pachters) was natuurlijk wel denkbaar geweest.

Van Heste lijkt impliciet te pleiten voor de aanpak die gekozen is onder de vlag van de Ecologische Hoofd Structuur. Het aanwijzen van gebieden waar ‘de natuur’ het dominante belang wordt en daar in overleg met de boeren inhoud aan geven. Ze eventueel een rol geven in het beheer, of ze uitkopen, maar niet onteigenen! Dat is een aanpak waar de landbouworganisaties welwillend tegenover staan.
Helaas is in het geval van de Hedwigepolder een andere weg gekozen.

PS. Het aanbod van de eigenaar om vluchtelingen op te vangen in de Hedwigepolder kwam te laat om nog in dit stuk te worden verwerkt. Dat is maar goed ook, want ik heb geen idee wat ik daar voor zinnigs over zou moeten melden.

—————————–
De foto’s zijn van Frits Hoorweg
(1e) en Jack Luiten (2e)
——————————–
Bestel uw boeken, CD’s en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Frits Hoorweg

Frits Hoorweg is in 1947 in Rotterdam geboren, woont in Den Haag, is gehuwd en heeft twee volwassen zoons. Schrijven is voor hem vooral aanleiding om herinneringen op te halen en zijn fantasie de vrije loop te laten.  Zijn levensloop laat zich daardoor met behulp van het Leunstoelarchief reconstrueren. Zo valt daaruit te leren dat hij afstamt van een dynastie van Rotterdamse huisjesmelkers. Dat hij in Wageningen studeerde en probeerde het mysterie van de vrouw te ontwarren. Hij beweerde ooit in een van zijn stukjes dat zijn vader in 1940 vocht aan de Grebbelinie. Een bewering die sindsdien werd aangevochten door iemand die van mening is dat de betreffende Hoorweg haar vader was. Hij was ooit ambtenaar en beziet wellicht daarom alle pogingen nieuw beleid te bedenken met groot wantrouwen.