In de tuin

Stinzenplanten

Mijn dochter en ik zijn een project gestart: dit jaar alle hortussen van Nederland bezoeken. En vorige week zijn we begonnen in het hoge Noorden. Het is wel wat vroeg voor tuinbezoek, maar de stinsenplanten staan in bloei en dat trof, want we bezochten Domies Toen (de tuin van de dominee) in Pieterburen en die heeft de grootste verzameling stinsenplanten van het Noorden. Stinsenplanten zijn bollen, zoals de algemeen bekende krokus, het sneeuwklokje, de tulp en de hyacint, maar er zijn er oneindig veel meer: de winterakoniet, het lelietje van dalen en de kievitsbloem. Het is een sympathieke tuin, niet al te groot en leunend tegen de Petruskerk, eigenlijk een slingertuin met het tuinhuis van de dominee en een theehuis.
Omdat we toch in Pieterburen waren, hebben we ook maar een bezoek gebracht aan de zeehondjes. Die huilers zijn zo aandoenlijk en dat weten ze zelf ook wel want er verdwijnen heel wat munten in klaarstaande gleufjes. Er waren maar weinig bezoekers dus we hadden alle gelegenheid tot bonding met een gewone of grijze zeehondenbaby. Daarna zijn we nog even naar het wad gereden. Wie beweert dat Nederland vol is, is nog nooit bij het Groningse wad geweest. Leger is het nergens, maar hier wil natuurlijk niemand wonen.

De volgende dag was de botanische tuin Haren aan de beurt, de tuin van de Universiteit van Groningen.
Deze tuin is zeer groot en bevat een aantal ‘sub’-tuinen, zoals een kruidentuin, een rotstuin, een hortensia-tuin en een Chinese tuin. Er is gelukkig ook een café en een winkel.

Deze tuin is mij iets te groot en die Chinese tuin is een cliché, maar er is veel te zien als je van plantjes en bomen houdt. We wachten nu een paar weken tot er wat meer bloeit, hoewel de vruchtbomen ook al op springen staan. In veel straten in de Amsterdamse Pijp staan perenboompjes en die bloeien nu. Het moois staat om de hoek.
———-
De auteur heeft het plaatje geleverd.
Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Katharina Kouwenhoven

Wanneer onbekenden elkaar voor het eerst ontmoeten, vormen zij zich een indruk van elkaar, op basis waarvan zij besluiten of nadere kennismaking een interessante optie is. Voor het vormen van die eerste indruk hebben zij niet veel informatie tot hun beschikking: een paar uiterlijke kenmerken en wat minieme gedragsobservaties. Deze informatie kan worden aangevuld door elkaar wat korte vragen te stellen. De vragen die mensen elkaar stellen bij een eerste ontmoeting hebben praktisch altijd betrekking op biografische gegevens: hoe oud ben je, waar ben je geboren, wat doe je, waar heb je op school gezeten, waar woon je. Het merkwaardige is, dat al deze informatie - uiterlijk, houding, presentatie, biografische gegevens - helemaal niets zegt over met wat voor soort mens we te maken hebben, een psychopathische seriemoordenaar of een zachtaardige steunpilaar van de maatschappij. Toch willen we dat laatste graag weten. Als ik iets over mezelf wil zeggen, kan ik proberen nooit gestelde, maar wel prangende vragen te beantwoorden of me te beperken tot de informatie die normaal verschaft wordt bij een eerste ontmoeting. Ik denk dat ik me beperk tot het laatste, want dat is veelzeggend genoeg.Ik ben woonachtig te Amsterdam, alleenstaand, werkzaam, goed opgeleid en dol op bubbeltjeswijn.(Ik maak inmiddels ook tekeningetjes voor De Leunstoel.)