
Onderweg van spoor 1 op Utrecht Centraal naar het Moreelsepark verheug ik mij al. Straks heb ik een afspraak met vriendin Maartje in de Inktpot. Dus toegang tot die bakstenen kolos, kan ik die eindelijk van binnen zien. Door haar hoef ik niet urenlang in de rij te staan maar mag zo doorlopen. Op Open Monumentendag was ik ook onderweg naar diezelfde Inktpot maar haakte af vanwege de ellenlange stoet nieuwsgierigen.
Omdat ik vroeg ben, de trein liep keurig op tijd, loop ik eerst om de gigant heen. Kluitjes kantoorpersoneel, boterhammen kauwend, doen dat ook. Ik heb geluk gehad in mijn leven en nooit op kantoor gewerkt. En dus ook niet in de lunchpauze rondjes hoeven lopen met collega’s. De gesprekken zie ik als tekstballonnen boven ze hangen: ‘Het was weer niet normaal druk bij de Ikea zaterdag’, ‘heb je het gehoord, Johans dochter is vegan geworden’, ‘heb je de winterbanden al gemonteerd’ en ‘Jamai is afgetekend de beste Maestro, ja toch?’
Ik loop alleen en met mijn hoofd in de nek kijk ik naar het grootste bakstenen gebouw van Nederland. Hoofdadministratiegebouw III (hgb III) werd door de NS in eigen beheer gebouwd rond 1920. Ze kochten twee steenfabrieken, logisch, ze hadden 22 miljoen bakstenen nodig, en drie boten om ze naar Utrecht te vervoeren. O ja, en een bos aangekocht voor al het eikenhout van het binnenwerk. Het fundament werd gevormd door afgedankte spoorstaven; duurzaamheid avant la lettre.
Tijd om naar binnen te gaan. Alles aan het gebouw is massief, zo ook de receptie. Twee vrouwen zitten als vorstinnen achter een solide balie. Ik moet mijn ID laten zien, mijn naam wordt gecontroleerd op een lijst en ik krijg een toegangspas. ‘U mag een beker pakken voor uw thee of koffie straks.’ Ik pak een hard plastic beker van de stapel en de poortjes openen zich als ik mijn pasje voor de lezer houd. Gelukkig komt mijn afspraak al zwaaiend toegesneld want waar moet ik heen?
Mijn gids heeft even tijd voor een korte rondleiding. We lopen door majestueuze gangen met aan weerszijden kantoren. Onze voetstappen worden gedempt door tapijt. We maken een hele ronde op een verdieping. Aan het eind van een gang gaat een deur open en een man, papieren in de hand, loopt ons tegemoet. Mijn begeleider houdt kort haar pas in en fluistert: ‘John Voppen, de baas van ProRail’. We hoeven niet eens beleefd te knikken want hij is alweer achter een volgende deur verdwenen.
Mijn wegwijzer moet weer aan ‘t werk en ik loop nu alleen door het stenen labyrint. Hoe dan ook is het een werkplek dus voel ik mij enigszins een indringer. Er wordt niet alleen achter gesloten deuren gewerkt, ook op gangen wordt in groepjes gezwoegd. Sparren zullen ze het wel noemen.
Er zijn nog twee dingen die ik wil zien, de kelder en de toren.
Met de lift daal ik af naar de kelder. Helaas is de paternoster vervangen door een zoevende lift. In de kelder worden de gangen gestut door arcadische bogen. Hier in de catacomben komt het siermetselwerk goed tot zijn recht. De bakstenen zijn geglazuurd en kopergroen en okergeel gekleurd. Mocht de grote kladderadatsch in de wereld uitbreken, hier in de gewelven kun je schuilen.
Weer op de begane grond kijk ik naar boven, naar het binnenste van de toren die met zijn 58 meter tot in de hemel reikt. Fladderende vleermuizen zouden het beeld compleet maken maar de hier huizende kolonie slaapt.
‘U kunt uw beker in de verzamelbak gooien, alvast bedankt’, zegt de receptioniste als ik door de poortjes loop. Ik lever ook mijn pasje in en verlaat via de statige trappen het gebouw. Achterom kijkend stel ik vast dat de moloch van architect van Heukelom met recht een monument genoemd mag worden.
———-
De foto is van de schrijver.
