De wereldliteratuur roept

Poesjkin vertalen, vervolg


In mijn vorige stukje beloofde ik een voorbeeld te geven van de vrijheden in de vertaling van Jonker van Poesjkins Jewgeni Onegin. Ik kies strofe 16 van het eerste hoofdstuk, waarin een beeld wordt gegeven van Onegins luxeleventje. Letterlijk staat er:



Donker: in een slee gaat hij zitten.

“Opzij, opzij!” weerklonk geroep:

Door het bevroren stof glanst als zilver

Zijn beverkraag.

Naar Talon stoof hij: hij was ervan overtuigd,

Dat daar hem al wacht Kaverin.

Hij kwam binnen: en de kurk naar het plafond,

De stroom van een komeet van wijn sproeide;

Voor hem roast-beef, bloedrood,

En truffels, de weelde der jeugdige jaren,

Van de Franse keuken het puikje,

En van Straatsburg een pastei onvergankelijk

Tussen levende Limburgse kaas

En een gouden ananas.



Het beeldrijke en soepele origineel verwordt in deze letterlijke vertaling tot een zonderlinge opeenvolging van woorden. Ik zou niet weten hoe je tot een vertaling zou kunnen komen die enigszins recht doet aan het origineel, zeker als je ook nog probeert ritme en rijm aan te houden. Jonker maakt er het volgende van:



’t Is donker nu. Hij wenkt een slede.

“Opzij!”, weergalmt de kreet, “Opzij!”

de rijp stuift zilver op zijn brede

zwart beverbonten kraag, maar hij

stuift naar Talon – daar wacht, zo hoopt hij,

Kawerin al – en weldra loopt hij

de zaal in. Kurkgeknal. Karmijn

ontspringt de stroom Kometenwijn.

Een bloedrood stuk roastbeef staat voor hem

met truffels, weelde van de jeugd,

en kookkunst op z’n Frans, o vreugd;

pastei uit Straatsburg (juicht, gij koren!),

dan een Limburgse kaas (op geur),

waarnaast een ananas (op kleur).



De eerste regel is goed. “Weergalmt de kreet” in de tweede regel wijkt ook niet ver van het origineel af, (al staat er in het Russisch gewoon “weerklonk”), maar is niet erg natuurlijk Nederlands. In de derde en vierde regel probeert Jonker, als ik het goed begrijp, precies weer te geven wat er volgens hem gebeurt: terwijl Onegin in de slee zit zetten zich heel fijne bevroren deeltjes (rijp) op zijn kraag af. Toch klinkt “De rijp stuift zilver op zijn kraag” niet erg natuurlijk. Poesjkin schrijft bovendien alleen maar dat de kraag zilverig glanst door de rijp. Zou die rijp niet al op de kraag hebben kunnen zitten? (In plaats van rijp schrijft Poesjkin eigenlijk ‘bevroren stof’; rijp, dat volgens Van Dale ‘bevroren ijskristallen’ betekent, lijkt me hiervoor een adequate vertaling.) De regels vijf en zes kunnen ermee door (al schrijft Poesjkin niet ‘maar’ hij stuift naar Talon: Jewgeni stuift gewoon, zonder maaren met zijn door de rijp zilverig glanzende kraag naar Talon. Jewgeni loopt ook niet ‘weldra’ de zaal in, maar dit zijn kleinigheden.) Maar dan (regels zeven en acht): wat moet je je voorstellen bij Kometenwijn? En dan nog Kometenwijn die karmijn ontspringt. Zeker een of andere Russische drank, of anders iets heel dichterlijks: neem maar aan dat de dichter er iets prachtigs mee bedoelde! Maar als Poesjkin iets prachtig bedoelt schrijft hij dat in begrijpelijke taal op. De regels negen en tien zijn weer redelijk, maar in de laatste vier regels wringt Jonker zich in de vreselijkste bochten. “Kookkunst op z’n Frans” is iets anders dan de Franse keuken. En er staat in het Russisch niet “o vreugd” (stoplap en Sinterklaasrijm), net zo min als “(juicht, gij koren!)” (omdat het hier om eten gaat dacht ik eerst aan koren op het veld, en pas in tweede instantie aan zingende koren; de lezer van de vertaling zal zich hier misschien afvragen of Poesjkin nu echt wel zo’n veel grotere dichter was dan Tollens en zijn tijdgenoten), en ook niet “(op geur)” en “(op kleur)”.



Zou ik het er zelf veel beter afbrengen? Laat ik eens een poging wagen. De goede dingen van Jonker neem ik over.



’t Is donker: hij wenkt een slede.

Kreten klinken: “Opzij, opzij!”

De rijp doet z’n kraag van bevervacht

Als zilver glanzen. Naar Talon stuift hij,

Overtuigd dat daar zijn Kaverin op hem wacht.

Hij gaat binnen: daar vliegt de kurk al naar het plafond,

Fonkelend als een komeet sproeit de wijn in het rond.

Voor hem staat een roast-beef, bloedrood, gereed

En truffels waar de jeugd zich zat aan eet.

Uit de Franse keuken wat de fijnproever bekoort

En een Straatsburger pastei, enig in zijn soort,

Tussen Limburgse kaas, die nog heel vers was

En een goudkleurige ananas.


Hm, ik zou nu Jonker eigenlijk gelegenheid moeten geven om mijn vertaling af te kraken. Van het metrum is niet veel meer overgebleven. Verder zijn de regels in lengte wel zeer ongelijk. En vergaloppeert Muller zich niet net zo goed met dat ‘waar de jeugd zich zat aan eet’, respectievelijk ‘die nog heel vers was’? Ik geef het toe: ook mijn vertaling is boerenbedrog!

 

 

****************************************

Literatuur en beeldende kunst onder één dak

Bij Buddenbrooks aan het Noordeinde in Den Haag.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Gerbrand Muller

Gerbrand Muller werd in 1939 te Leiden geboren. Volgde klassikaal en Montessori-onderwijs te Leiden, Oegstgeest en Wassenaar, daarna studie geschiedenis in Leiden. Medewerker van de nog legendarisch te worden literaire tijdschriften Kaf t (met spatie tussen de f en de t om aan te duiden dat de inhoud van het blaadje het van het koren gescheiden kaf was) en ptl. Werkte 34 jaar als stafmedewerker bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, eerst op het terrein van de sociale wetenschappen, later op dat van de geesteswetenschappen. Schreef en publiceerde verhalen en novellen: Avond nacht morgen (Meulenhoff 1974; verhalen), Evenwichtlopen (Meulenhoff 1992, novelle), Wagens beladen met hooi (De Sneeuwstorm, 2003, novelle), De verleidelijke pen (De Sneeuwstorm, 2005, verhalen). Daarnaast publiceerde Parjadok zijn reisaantekeningen gemaakt tijdens reizen in Indonesië, Rusland en Oekraïne. Geliefde tijdspasseringen: schrijven, lezen, de Russische taal, vioolspelen en reizen.