Op de
terugweg van mijn dagelijkse zeebad werd ik aangesproken door een meneer die
zijn hond – een uit de kluiten gewassen foxterriër, dacht ik – uitliet in de
duinen. Hij noemde me ‘Wim’, zoals ik vroeger genoemd werd voordat ik het
stoerder vond om als ‘Willem’ door het leven te gaan.
‘Ha Hans’,
zei ik, nadat ik in de meneer mijn vriendje van de lagere school herkend had.
Mijn beste vriendje, wilde ik schrijven, want zo voelt dat. Vanaf de eerste tot
en met de vijfde klas zaten we samen op de Sandenburgschool in Middelburg.
Volgens mij zaten we ook samen op de kleuterschool, maar dat weet ik niet
zeker. Hans woonde in de Arnelaan en ik in de Mastgatstraat. ’s Ochtends liepen
we samen met Bert, die nu goudsmid is in Middelburg, en René, die iets doet in
een hotel in Tel Aviv, langs het Roompotpad naar onze school in de
Baarsjesstraat op ‘t Zand. Wij zaten op ‘de openbare’. Naast ons zaten de
christelijken. Dat gaf vaak veldslagen. Beide scholen zijn afgebroken en
vervangen door woningbouw. Hans en ik waren zo’n beetje de ‘intellectuelen’ van
onze klas. In mijn herinnering waren we onafscheidelijk. In de zesde klas verhuisden
wij echter naar de andere kant van Park Toorenvliedt en ging ik naar een andere
school waardoor we elkaar uit het oog verloren.
In de
eerste klas van het gymnasium kwamen we elkaar weer tegen. De vriendschap
keerde echter niet terug. Hans ging gewoon keurig over, terwijl ik een nogal grillige
schoolcarrière aflegde. Via gezamenlijke vrienden hielden we echter altijd wel
iets dat op contact lijkt.
We praatten
over koetjes en kalfjes zoals de temperatuur van het zeewater, mijn betreurenswaardige liefdesleven en zijn
hond, die een Ierse terriër bleek te zijn en over Hans’ meesterwerk ‘De Warnow’. Daarna gingen we weer ieder ons weegs.
Die
terriër, schoot mij later te binnen, past goed bij Hans. Schreef Jeroen Vullings
niet: ‘Steketee toont zich een nauwgezette, levendige verteller, die zich in
zijn monolithisch benaderde onderwerp vastbijt als een terriër’? Dat ging over
Hans’ boek ‘De Warnow’, waarin hij de reis van de opvarenden van die schuit naar ‘Het Noorderlicht’ beschrijft. Een reis die naar alle waarschijnlijkheid in een schipbreuk midden op de Noordzee eindigde want van de Warnow is nooit meer iets teruggevonden. Een meesterwerk. Maar een monoliet? Misschien omdat het
boven andere boeken uittorent, maar zeker niet omdat het één ongedifferentieerd
geheel vormt.
Iedere zin,
iedere pagina van ‘De Warnow’ is raak en dwingt je door te lezen. Maar als je
even stil staat bij wat je net gelezen hebt, dan ontkom je niet aan de indruk
dat je daadwerkelijk met een ‘auctoriale verteller’ te doen hebt, een auteur
die niet alleen alles van de opvarenden van de Warnow weet, maar ook over de
scheepvaart, de Noordzee, ‘die Wende’ in Rostock, afkickprogramma’s, het
personeelsbeleid van DOW Chemical in Terneuzen en wat al niet meer. ‘Je kunt
geen fatsoenlijke las leggen als je je slak niet kunt aftikken.’ Hans weet
ook nog eens alles van lassen, of kan daar in ieder geval in vaktaal over meepraten. Veel is ‘research’. Hij neemt de lezer mee op zijn tochten om alle
details van de bootreis te reconstrueren. Veel is echter gebaseerd op zijn eigen
ervaringen, want hij is zelf ook een zeezeiler. Wat dat betreft is hij een
eigentijdse Melville of Conrad.
Zijn
fascinatie voor de zeilsport en de zee vormt een autobiografische draad door
het verhaal. Zijn Vlissingse moeder moest niets van water en varen weten. Ze was
nogal getraumatiseerd door de inundatie van Walcheren. Door geallieerde
bombardementen was Walcheren aan het einde van de oorlog onder water gezet om
een invasie mogelijk te maken. Ook grote delen van Vlissingen, waar de
Nolledijk was stukgebombardeerd, waren onder water komen staan.
Hans
schrijft dat hij daarom aanvankelijk nooit mee mocht op zeiltochten. Ik meen
mij echter te herinneren dat hij ook aanwezig was op mijn eerste tocht op een
zeilboot tijdens een verjaardagspartijtje van onze klasgenoot Rob T. wiens
vader een Scheldeschouw had. We voeren over het Veerse meer en ik vond het
fantastisch.
Uiteindelijk
kreeg hij toch zijn zeilboot. Op datzelfde Veerse meer leerde Hans en zijn,
helaas veel te vroeg overleden, broer Menno zeilen.
In die
tijd, zo rond ons vijftiende, ging ik nauwelijks meer met Hans om. Ik heb zijn
boot nooit gezien. Ik voer echter ook regelmatig op het Veerse Meer. We hadden
met de jongens en meisjes van de ‘Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie
Afdeling Walcheren’ een oude roeiboot opgeduikeld. We hadden toestemming
gekregen om die in de haven van ‘Het Zilveren Schor’ te leggen. Dat was ‘een
cadeau van het Nederlandse volk aan koningin Juliana’ waar in die tijd een of
andere welzijnsinstelling was gevestigd, nu is het een peperdure ‘Harbour
Village’.
Terwijl
Hans en Menno met hun ‘4.45’ zeilboot
met kiel over het water scheerden, roeiden wij met onze lekke schuit naar de
Haringvreter en het Aardbeieneiland. Uiteindelijk zaten er zoveel gaten in dat
die boot naar de bodem van het Veerse meer is gezonken. Dit voorval heeft nooit
de pers gehaald, zelfs de PZC niet. Er waren ook geen verliezen te betreuren
want we konden makkelijk naar de kant zwemmen.
Ik vind dat
wel een aardige metafoor want Hans vloog, in mijn ogen, met volle zeilen doelgericht door
het leven, terwijl ik op een kielloze schuit vol gaten wat heen en weer roeide.
Het duurde bij mij wat langer voordat ik, in die mooie uitdrukking van Nescio,
‘stakkerig wijs’ werd. Maar uiteindelijk zijn we allemaal op onze eigen manier
bezig met een reis naar ‘Het Noorderlicht’. Op weg naar het einde. En soms
passeer je elkaar dan wel weer eens. Aan de rand van de zee, bij voorbeeld.
Hans
Steketee, ‘De Warnow’ https://uitgeverijpluim.nl/de-warnow
