
Altijd als ik haar ontmoette
Keek ze me aandachtig aan,
Hield even in, bleef even staan,
Terwijl zij mij; ik haar begroette.
Koetjes en kalfjes, niets voor haar,
Kwesties wilde ze bespreken,
In eigen land, of verre streken,
Over groot onrecht, of gevaar.
Het spreken werd allengs beweren.
Steeds meer kracht; steeds meer klem,
Haar mening hoorbaar in haar stem,
Die gaandeweg ging moduleren.
Al wat ze zei, ‘gaf’, zei ze, ‘blijk
Van haar onwrikbare gelijk’.
****
Daarna verzachtte dan haar toon.
Iets bracht haar blijkbaar op gedachten,
Een bron van kleine jammerklachten,
Haar jeugd, haar zusjes, of een zoon.
Je kon er eigenlijk op wachten.
Het ging volgens een vast patroon.
Zij had geen schuld, zij was gewoon
De dupe van externe krachten.
Echter, door haar grootmoedigheid
Was alles toch nog goed gekomen.
Zij had het voortouw weer genomen
In wat tot lieve vrede leidt.
Maar in haar keel klonk nog de brok
