
door Jean Pierre Benoit
Binnenkort neemt een goeie ouwe collega afscheid. De mensen, die zijn afscheidsevenement organiseren, vroegen alle genodigde ex-collega’s om foto’s op te sturen met een heel kort tekstje om een mooi boek voor die collega te kunnen maken. Dus ik ben op zoek gegaan in mijn oude foto-albums. We waren collega’s gedurende de eerste helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Digitale fotografie was er nog niet. Maar goed ook, want sinds die er wel is (en dan voornamelijk die met de smartphone) heb ik weliswaar héél veel gefotografeerd en foto’s van familie en vrienden toegestuurd gekregen, maar is het allemaal niet meer zo georganiseerd als in de tijd van de fotorolletjes en foto–albums.
De collega werkte bij de afdeling Planning en Programmering bij het Directoraat van de Volkshuisvesting. We waren ambtelijk verantwoordelijk voor de voortgang van de woningbouw. Het was in de tijd dat er 100.000 woningen per jaar werden gebouwd en soms wat meer. Even opscheppen: het was mijn afdeling.
Bij het zoeken naar foto’s zag ik natuurlijk plaatjes van diverse afdelingsgebeurtenissen uit die tijd. Op sommige ervan kwam ik twee uitzendkrachten tegen. Toen ik die foto’s zag schoot het me weer te binnen. Ze kwamen allebei oorspronkelijk uit Suriname. De één was een Afrosurinamer, Creools of Marron, en hij sprak met een zwaar Amsterdams accent. Ik ben vergeten hoe hij heette. De ander heette Miriam, ze was Joods, en had een echt Surinaams accent. Ik vond die paradox geestig. Destijds ging ik er blind vanuit, dat er naast de Inheemse, Afrikaanse, Hindostaanse en Javaanse bevolkingsgroepen ook een Joodse bestond in Suriname. En stond er toen verder niet bij stil.
Maar omdat de vorige Leunstoel de vijftigjarige onafhankelijkheid van Suriname het thema was vond ik het aardig op daar eens in te duiken. En ik vond een boeiende geschiedenis. Wikipedia heeft me goed geholpen.
OP dit moment wonen maximaal enkele honderden Joden in Suriname. Een officiële telling houdt het op 181, maar dat cijfer is vermoedelijk een onderschatting. In 1639 kwam een eerste groep Sefardische Joden uit Nederland, Portugal en Italië naar het huidige Suriname. Dat was toen Engels en heette Willoughbyland. In 1652 kwam een tweede, Engelse, groep, die zich vestigde in Jodensavanne. Een derde groep kwam uit Cayenne. Daar zaten Nederlanders en Joden die door de Portugezen uit Nederlands Brazilië waren verdreven. Toen Cayenne Frans werd gingen ze naar Suriname. De route is onduidelijk. In de latere ‘golven’ zaten ook Asjkenazische Joden. De twee Joodse groepen leefden aanvankelijk nogal gescheiden, maar tegenwoordig is het één gemeenschap. De aantallen zullen een rol hebben gespeeld.
In Jodensavanne bevonden zich – op den duur neem ik aan – veel Joodse plantage-eigenaars. Er stonden in de bloeitijd ongeveer 80 huizen. Door economische omstandigheden ging de gemeenschap flink achteruit. De synagoge werd in 1885 voor het laatste gebruikt. Daarna nam het oerwoud het gebied over.
Het was geen mooie tijd. Joodse mannen die met een vrouw van kleur trouwden werden van de ledenlijst geschrapt. Er werd door alle (neem ik aan) plantagehouders gevochten tegen de Marrons (ik weet nog dat we die in Nederland vroeger bosnegers noemden). Slaafgemaakten die meevochten werden vrijgelaten maar konden nooit volwaardig Joods worden. Negerjoden werden ze genoemd. De taal was in die tijd een heel stuk minder politiek correct.
In 1938 stelde Mussert voor van de drie Guyana”s een Joods nationaal tehuis te maken. Het idee werd in de Tweede Kamer verworpen, maar niettemin kwamen in 1942 1000 Franse Joden naar Suriname. Later kwamen er nog meer.
Na de oorlog pikte een Amerikaanse organisatie, The Freeland League, het idee op. Er zouden 30.000 Europese Joden in Saramacca gevestigd moeten worden. De Staten van Suriname keurde het idee goed, maar na de vestiging van de staat Israel viel de bodem uit de gedachte.
Na de onafhankelijkheid van Suriname vertrokken de meeste Surinaamse Joden naar Nederland. Vandaar het geringe aantal Joden in het huidige Suriname. Wikipedia noemt een hele lijst van mensen met die achtergrond. De meest opvallende vind ik: Pim de la Parra, Gerard Spong en Edgar Davids.
Mijn uitzendkracht Miriam was dus een soort speld in een hooiberg. Maar wellicht had ze haar Surinaamse accent wel van haar Afro-Surinaamse echtgenoot.
———-
De auteur heeft de plaat van de Jodensavanne gevonden op Wikimedia Commons.
