In de tuin

Nieuwjaarsnarcis

De winter is pas net begonnen, maar na de jaarwisseling voelt het altijd alsof de lente om de hoek ligt. 2026 begint echter met sneeuw. Een verstillend witte deken dwingt tot een afwachtende houding. Gelukkig steken de eerste bloembolletjes hun groene armpjes al omhoog. Geen idee meer welke bolletjes ik waar heb begraven. Blauwe druifjes misschien? Een verwachtingsvolle nieuwsgierigheid maakt zich van mij meester. Volgens goed gebruik zijn de Sneeuwklokjes de eerste die gaan bloeien, maar die zie ik nog niet.

Wat ik wel zie, zijn Narcissen (Narcissus). In Amsterdam Noord, waar ik woon, vlak bij het Floradorp, zijn het de stevige narcisstengels, die al in december de grond doorboren. Vóór de jaarwisseling zag ik zelfs al bloemknoppen zitten. Efficiënt opgerold, schemerden de bloemblaadjes lichtgeel in hun inpakvliesjes. Nu, medio januari, zijn de meeste knoppen uitgepakt. De paasgele kelkbladeren omlijsten het hart van de plant: de oranje trompetters. Als een kwebbelende groep pinguins staan ze in de sneeuw. Kopjes naar beneden, de bloemen halfgesloten. Ze zijn nog niet helemaal wakker. “Hé wat leuk. Ben jij er ook weer? En weer wat kleintjes erbij? Gezellig”.

Een fijne eigenschap van Narcissen is dat ze elk jaar terugkomen en ze vermeerderen zich ook nog eens. Verwilderen heet dat, terwijl ze meestal netjes bij elkaar blijven. Onder de grond deelt de bol zich en een nieuw narcisje is geboren. Het kan wel 3 jaar duren voordat ze van haar moeder loskomt. Dan is ze een zelfstandig bolletje, maar blijft dicht bij mamma.
Narcissen kunnen zich ook voortplanten door zaad. Aan het eind van het seizoen verandert een door bijen bezochte bloem, in een grote zaaddoos. De stengel knakt door het gewicht en de zaaddoos valt op de grond. Meestal dus niet ver van de moederplant. Narcissen zijn niet reislustig. Ze blijven bij elkaar. Slechts een everzwijnneus kan ze van de groep afwoelen.

Die kans is in Amsterdam niet zo groot, dus ‘mijn’ Narcissen hebben in de loop der jaren de hele middenberm van de Kamperfoelieweg bezet. Maar verder komen ze niet. In het wild kunnen ze, indien ongestoord, een hele kolonie vormen. In Limburg vind je nog bosbodems, die in de lente geel kleuren door de wilde Narcissen (Narcissus Pseudonarcissus*). Eerlijk gezegd had ik ze een meer exotische oorsprong toegedicht, maar de Narcis is van oorsprong een europese bosbewoner. De wilde Narcis, helaas een zeldzaamheid geworden, lijkt veel op de grote trompet Narcis. De kleine Narcisjes, die verkocht worden als botanische narcisjes, zijn juist zo gekweekt. De term botanisch is hier dus een marketingtruc, die bij mij heeft gewerkt. Ik vind de kleintjes het leukst en ‘natuurlijker’ dan de grote Narcissen. Onzin dus.

Wat ik trouwens niet begrijp is waarom de Narcis vernoemd is naar die egocentrische Griek. Op mij maakt ze juist een verlegen indruk. Ze zou haar schoonheid van de daken kunnen trompetteren, maar nee. Ze laat haar kopje bescheiden hangen. En het zijn groepswezens. Super sociaal. Eén Narcis is een eenzame Narcis.

Dat die Narcissen zo héél vroeg bloeien vond ik zorgelijk. De Narcis wordt ook wel Paaslelie genoemd, maar Pasen valt echt nooit in januari. Ze krijgen vast te veel stikstof. Of het is de snelle opwarming van de aarde. Moeten ze de sneeuwklokjes niet voor laten gaan?

Dit jaar heb ik het opgezocht. Het is inderdaad de schuld van de mens. Met name de kwekers. Die selecteren op verschillende persoonlijkheden. Net als bij mensen heb je Riscionemers en – mijders. Sommige Narcissen willen echt zeker weten dat de winter voorbij is, dus wachten af. Andere gaan er al voor als het een weekendje kouder is dan 5 graden. Thrillseekers dus. Net als de mensen in Floradorp. Die houden ook wel van een beetje spanning. Verschil moet er zijn. En er zijn dan ook eindeloos veel verschillende Narcissen te krijgen. Klein, groot, geurend, dubbele en enkel trompetters. Van wit tot oranje. Als je ze goed uitzoekt kan je van december tot mei Narcissen in je tuin laten bloeien.

Mijn persoonlijke top 3:

Narcissus cyclamineus. Kleine paasgele trompetjes. Bloeit in januari- februari. Sterk geurend.
Narcissus pseudonarcissus (wilde narcis). Grote lichte gele bloemen. Bloeit in maart. Geurt zoet.
Narcissus poeticus. Grote witte kelkbladeren met een klein geel en roodomrand hartje. Bulls-eye voor insecten. Bloeit in april-mei en is sterk geurend.

Als je Narcissen kiest, kies dan die met open trompetjes en veel geur. Die zijn het fijnste voor insekten. En kies verwilderaars. Want, zeg nou zelf, hoe meer Narcissen hoe beter.

* Waarom nou juist de wilde Narcis Pseudonarcissus dus schijnnarsis is genoemd is ook een interessant verhaal, wat ik aan de lezer laat om zelf uit te zoeken.

———-

De schrijfster heeft de illustraties verzorgd.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>