Doe toch een spelletje mee

Korfballen*

Als kleuter zat ik op turnen, want ik was heel lenig en mijn vader was ooit kampioen van Maassluis. Toch constateerde de turnleraar al snel dat ik geen aanleg had. Ik viel voortdurend uit de ringen. Dus ik ging eraf en dat vond ik helemaal niet erg. 
Maar toen ik op de lagere school zat bleek er op het plein voor de school, het Balboaplein, een korfbalveld waar de korfbalvereniging ROHDA speelde. Dus ging ik korfballen. Omdat het een gemengde sport is wordt het door velen beschouwd als een sport voor mietjes, maar dat is onterecht. Het is moeilijk en zwaar genoeg, zeker voor de meisjes. Het veld wordt in drie vakken verdeeld, een aanvalsvak en twee overbodige vakken, waarin de spelers feitelijk niet mee doen. Wordt er gescoord, d.w.z. knikkert iemand in het aanval-vak de bal door de korf, dan wordt de bal via het middenvak naar het laatste vak gespeeld, het aanval-vak van de tegenpartij. 
Korfballen is een wintersport en omdat je meestal niets te doen had, stond je bijna de hele speeltijd te blauwbekken van de kou. Erger nog was eigenlijk dat het veld van ROHDA geen grasveld was, maar harde grond bedekt met kleine kiezelsteentjes. Omdat je natuurlijk regelmatig viel, zaten na afloop van de wedstrijd je knieën vol met kleine steentjes, die er door mijn moeder met een pincet uitgepulkt moesten worden. Daarna knieën goed schoonmaken en jodium erop. Dat prikte gigantisch en je mocht niet aan de korstjes peuteren. 
Ik vond er niet veel aan, aan dat korfballen. Je moest te veel lijden. En mijn moeder kreeg er ook genoeg van elke zaterdagmiddag EHBO te moeten verrichten. Waar deden we het voor? Korfballen was niet eens een Olympische Sport. Dus toen ik vroeg of ik eraf mocht, was dat geen probleem. Tenslotte had ik de Zondagsschool nog.
———-
De illustratie is van de auteur

Series Navigation<< vorig artikel

Door Katharina Kouwenhoven

Wanneer onbekenden elkaar voor het eerst ontmoeten, vormen zij zich een indruk van elkaar, op basis waarvan zij besluiten of nadere kennismaking een interessante optie is. Voor het vormen van die eerste indruk hebben zij niet veel informatie tot hun beschikking: een paar uiterlijke kenmerken en wat minieme gedragsobservaties. Deze informatie kan worden aangevuld door elkaar wat korte vragen te stellen. De vragen die mensen elkaar stellen bij een eerste ontmoeting hebben praktisch altijd betrekking op biografische gegevens: hoe oud ben je, waar ben je geboren, wat doe je, waar heb je op school gezeten, waar woon je. Het merkwaardige is, dat al deze informatie - uiterlijk, houding, presentatie, biografische gegevens - helemaal niets zegt over met wat voor soort mens we te maken hebben, een psychopathische seriemoordenaar of een zachtaardige steunpilaar van de maatschappij. Toch willen we dat laatste graag weten. Als ik iets over mezelf wil zeggen, kan ik proberen nooit gestelde, maar wel prangende vragen te beantwoorden of me te beperken tot de informatie die normaal verschaft wordt bij een eerste ontmoeting. Ik denk dat ik me beperk tot het laatste, want dat is veelzeggend genoeg.Ik ben woonachtig te Amsterdam, alleenstaand, werkzaam, goed opgeleid en dol op bubbeltjeswijn.(Ik maak inmiddels ook tekeningetjes voor De Leunstoel.)