
Klein beginnen en nog kleiner eindigen, zoals het gezegde wil. Genetisch was ik reeds voorbestemd tot een benedengemiddelde lichaamslengte en de omstandigheden hebben er nog een schepje bovenop gelegd. ‘Bovenop’ is in dit verband een misleidend beeld, want wat ik wil zeggen is dat ik door die omstandigheden nog kleiner ben uitgevallen dan ik anders zou zijn geweest. Mijn vroege kindsheid werd ingelijst door de oorlog (ik spreek van de Tweede Wereldoorlog) toen ondervoeding mijn deel was. De ravitaillering in het kinderhuis liet te wensen over. Alleen van bloembollen en suikerbieten was er voldoende aanvoer. In zo’n geval wordt de energie van het subject niet geïnvesteerd in groei, maar in het kweken van weerstand. Dat is aardig gelukt, want ik ben niet vaak ziek geweest en heb corona doorstaan.
Klein van gestalte moest ik aldus mijn verdere leven door. Een treurig lot. Mannen kijken over- en vrouwen langs je heen. Obers zien je niet zitten. Het modebedrijf voorziet steeds minder in kleine maten, urinoirs hangen te hoog en voor de verwerving van een pak vruchtenhagel uit het bovenste schap van de supermarkt moet je een beroep doen op de medemens. Soms zelfs op een vrouw, de ultieme vernedering. In straatgevechten ben je al gauw de mindere. Dan bevind ik mij ook nog eens in het land met de langste mensen ter wereld en een meer dan vluchtige gedachtewisseling met landgenoten resulteert bij mij in een stijve nek. Overal ontmoet je meewarige blikken.
En dan nu, op een meer dan gevorderde leeftijd, zit er ook nog eens de krimp in. De laatste keer dat de huisarts mij mat, bracht zij mij 2 centimeter in mindering. Natuurlijk heb ik daartegen geprotesteerd en pas na lang aandringen mijnerzijds kreeg ik weer een centimeter van haar terug. Maar ja de trend is gezet en het leed wordt geleden.
