
Ik had dus een maand om gebruik te maken van de keuzedagen en ik houd er niet van als ze vervallen, terwijl ik er wel voor betaald heb. Zodoende heb ik een reeks van steden bezocht, veelal met een stadswandeling, het bezoek van één of meer musea, een hapje eten bij vrienden: Amsterdam, ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Amersfoort, Deventer, Middelburg.
Wat viel me op aan al deze steden? Vooral dat er veel fraais te beleven is. Hoe aardig is niet het Bergkwartier in Deventer, aansluitend op de prachtige Brink midden in het centrum? Hoe bijzonder is het niet te lopen door Middelburg, vol van straten en stegen vol monumenten, met als één van de hoogtepunten de Kuiperspoort waar je zonder mankeren kunt filmen in een decor uit de zeventiende eeuw?
Het was augustus, met zomerse dagen. De terrassen waren vol en overvloedig aanwezig. In de meeste Nederlandse steden is mede door de coronatijd een terrassenplaag uitgebroken. Lopend van het Noord-Brabants Museum naar de Parade passeerde ik rond lunchtijd de Korte Putstraat. Bizar hoe je door een aaneenschakeling van volle terrassen met allemaal etende en meestal vrolijke mensen zwalkend je weg moet vinden.
In Amsterdam leek de voertaal Engels en was het laat in de avond nog belachelijk druk op straat, allemaal toeristen. In Leeuwarden spraken nogal wat mensen Fries (wat kon je anders verwachten?). In Middelburg leek de voertaal Duits, zelfs toen ik over de wallen wandelde.
Overal bezocht ik musea, meestal twee per dag. Dan ben je verzadigd en krijg je bovendien bericht van je voeten dat het wel mooi geweest is. Het meest indrukwekkend vond ik in Keramiekmuseum Princessehof (Leeuwarden) de tentoonstelling Porseleinkoorts. Liep af op 1 september, dus daar heeft de lezer niets meer aan. Ook een rondleiding vanuit Het Schip (Amsterdam) was buitengewoon bevredigend. Ik was daar nog net op tijd van de ook al afgelopen tentoonstelling over Michel de Klerk, en daarover heeft Dik Kruithof al een mooie recensie geschreven in een vorige Leunstoel.
