Brief uit ...

In Zwitserland (3)

Tot nu toe had ik niet enig doelbewust kwaad kunnen ontdekken aan een van mijn gasten. Maar misschien was het nog te vroeg om conclusies te trekken, de week was nog maar halverwege. Toch liet de gedachte aan de situatie waarin zij verkeerden, de langdurige gevangenisstraf waarin mijn vakantiegangers zich bevonden, mij niet los. De een had meer inhoud dan de ander, dat was wel duidelijk bij een gesprekje aan de bar. En enkele jongens zag ik er voor aan niet tegen een knokpartijtje op te zien. Maar dieven waren het in geen geval. Keurig vulden ze elke avond hun bar-credit aan en niemand zeurde over de afrekeningen. Er werd netjes gegeten en op de slaapzalen was het niet overdadig rumoerig. Eigenlijk waren het prima klantjes. Niet te onderscheiden van ‘gewone’ vakantiegangers.

Was ik eerst nog zo positief over mijn cliënten, een dag later moest ik mijn mening bijstellen. Twee van de vier dames waren kennelijk met andere bedoelingen dan uitsluitend vakantie te vieren met de bus meegekomen. Dat deden ze weliswaar óók met volle (alcoholische) teugen maar dan met zelf meegebrachte whiskey, wodka en rum. Drank die wij niet op de plank hadden staan. Toen ik daar een aanmerking over maakte was hun repliek: ‘Wat jij in de bar hebt staan drinken wij niet’. Ze hadden een punt maar ik dacht als hun voorraadje op is zijn ze dankbaar voor een glas wijn uit onze bar. Wat ik toen nog niet wist was dat alle vier meisjes in de inrichting niet alleen hun tijd uitzaten voor prostitutie op minderjarige leeftijd maar ook voor regelmatige winkeldiefstal. Wie ben ik om daar een oordeel over te hebben, dacht ik toen ik deze feiten vernam van groepsbegeleider Wim. Maar toen twee van hen rond acht uur ‘s avonds onder politiebegeleiding werden binnen gebracht moest ik wel handelend optreden.

Wat was er gebeurd? De twee meisjes hadden hun oude beroep weer even opgepakt en zich bij gebrek aan een café of hotel (die waren gesloten) geposteerd op een kruispunt waar automobilisten vaart verminderden. Rokje omhoog, bevallig kijkend. Zich aldus vertonend midden in het dorp en auto’s tot stoppen dwingend. Dat viel niet goed in het keurige dorpje zodat ze al vroeg in de middag waren gearresteerd en na zes uur cel weer in ons jeugdhotel werden afgeleverd. De boete viel mee, slechts 50 Swiss francs p.p. Of ik maar wilde aftikken. Met de belofte dat ik de volgende dag dit bedrag op hun bureau zou betalen verdwenen de twee dienstkloppers. ‘Dat zullen jullie zelf moeten betalen, dames’, zei ik. ‘No problem’, zei een van hen en overhandigde mij een biljet van 100 francs. Ik hield het voor me te vragen hoe zij aan dit (in die tijd) formidabele bedrag was gekomen. ‘Niet meer doen’, zei ik nog, waarop een schamper gegrinnik volgde.

In de dagen die volgden wisselden Wim en ik elkaar af. De ene dag toog Wim op pad met onze ‘onaangepasten’, de andere dag nam ik die taak op me. Eens temeer viel me op wat een onvriendelijk, zelfs hooghartig type de gemiddelde Zwitser is. Een die zichzelf ver verheven voelde boven andere wandelaars die er minder sportief gekleed bij lopen dan de professioneel uitgedoste bergbeklimmer. Als we na enige tijd ‘op hoogte’ waren gekomen werd ons pad vaak gekruist door volledig in kaki-kleuren gehulde personen, voorzien van kompas, veldfles, rugzak met daarop een tent, slaapzak en overige attributen. Als militair gedrild liepen ze in marstempo over de smalle paadjes op weg naar, neem ik aan, het hoogste punt van de berg, ons geen blik waardig gunnend.
Nu zag ons gezelschap er ook niet piekfijn uit, moet ik toegeven. De een had een vlekkerige trui aan, de ander een broek waar de rafels aanhingen. Twee jongens hadden als hoofddeksel tegen de stekende zon een puntmuts gevouwen van krantenpapier dat met een elastiekje aan hun oren was bevestigd.

Het schoeisel van de meesten zou ook niet de goedkeuring kunnen wegdragen van de bergbeklimmersbond. Twee jongens liepen uiterst behendig op sandaaltjes bergopwaarts en een ander klom alsof het geen enkele moeite kostte op houten klompen naar boven.
Vrouwenemancipatie bleek in dit deel van Zwitserland niet bovenmatig populair, was me al eerder opgevallen. Zo kende ik mijn buurmanboer niet anders dan liggend in een luie stoel op zijn balkon, en slurpend aan het bier, daarbij luidruchtig zijn vrouw commanderend het gras te maaien of andere werkzaamheden te verrichten. Ook passeerden regelmatig families ons hotel, voorop de man met niet meer dan een verrekijker om zijn hals, daarachter zijn vrouw met een loodzware rugzak, die tevens als taak had de achter haar lopende kinderen in het gareel te houden.

Op woensdag, één dag voor vertrek van mijn ‘bajesgasten’ ondernamen we een grote tocht richting Sankt Moritz. Wim, die hier beter de weg kende dan ik, wist dat je met stevig doorstappen in ongeveer zes uur deze plaats kon bereiken en dat er vervoer terug mogelijk was, een soort ‘belbus’. Het leek mij een flinke tippel maar volgens Wim was het niet meer dan een kwestie van klimmen en dalen en niet teveel blijven stilstaan. ‘Ups and downs’, net als in het dagelijks leven’, voegde hij er wijsgerig aan toe. Maar alleen geschikt voor klimmers met goeie schoenen’, vervolgde hij. Dat betekende dat inclusief de leiding niet meer dan acht deelnemers zich kwalificeerden voor deze ‘monstertocht’, Ik besloot ook mee te lopen. Niet zozeer als prestatiedwang dan wel dat ik de tot nu toe ondernomen wandelingen al wel helemaal gezien had. En dat met nog een half jaar te gaan. Maar niet aan denken.

Vertrektijd 8 uur s‘morgens, had Wim verordonneerd en tot mijn verrassing waren de zes jongens, die zich hadden opgegeven en aan de gestelde voorwaarden omtrent schoeisel, windjacks en hoofdbedekking voldeden, al een uur eerder paraat en konden we op de gestelde tijd vertrekken. Groepsleider Wim stapte er gelijk stevig op los, Dat was wat anders dan de slenterpas die ik gewend was aan te houden. Ondanks zijn schriele gestalte en graatmagere beentjes die uit zijn korte broek staken haalden wij zeker een gemiddelde van 5 km per uur. Ik verdacht hem ervan vaste klant te zijn van de Nijmeegse Vierdaagse, als hij al niet in een vorig leven het tot sergeant-majoor had geschopt.
Dit tempo was aan mij eigenlijk niet besteed, wandelen was sowieso niet mijn favoriete bezigheid maar ik merkte dat als ik in zijn passen bleef, dus gelijktijdig met hem mijn voeten liet neerdalen het me eigenlijk niet al te moeilijk afging.

Ook onze zes klanten vertoonden weinig moeite het strakke tempo te volgen. Die hadden in eigen land (achtervolgd door de politie) wel harder gelopen. Hoe moest je een bergwandeling beschrijven? Alleen foto’s geven een natuurgetrouw beeld. Maar vooruit, zo was het ongeveer: ‘Ruige bergtoppen, dichte naaldbossen, bloeiende alpenweiden, torens en platforms, turquoise bergmeren, kortom een ongeëvenaard panorama’. Hoe klinkt dat!
Met dat klimmen en dalen had Wim geen woord teveel gezegd. Er zat vrijwel geen vlak stuk tussen. Tegen drieën kwamen we aan in het wintersport-paradijs Sankt Moritz waar het een uitgestorven boel was. Na wat vragen vonden we een koffiebar die niet gesloten was en waar we iets eetbaars konden bestellen. Ook mocht Wim gebruik maken van de telefoon om de ‘belbus’ te bellen, waarvan de chauffeur na enig onderhandelen niet ongenegen bleek ons terug te rijden naar ons eigen hotel in Prätschli.

Wim had wel alle geluk aan zijn zijde want uit een praatje met de belbuschauffeur bleek dat het busje eigenlijk alleen bestemd was voor (bejaarde) inwoners van Sankt Moritz. Maar onder het motto ‘geld doet wonderen’ hielp een flinke fooi hem over de brug. Niet over de bergen maar langs redelijk berijdbare weggetjes bereikten we rond etenstijd ons eigen hotel waar het toen nog rustig en kalm was, wat slechts een voorbode was van hetgeen later die avond zou plaatsvinden.
Rond zeven uur verplaatste het merendeel zich van de bar naar de etenstafels, alwaar ik beloofde ná het eten voor geïnteresseerden een kort verslag te doen van onze ‘monstertocht’. Ik wachtte even met het ‘Here zegen deze spijzen’, een eetgebedje waar tot mijn verbazing behalve Wim zeker 10 van de 28 vakantiegangers op gesteld waren, of aan gewend waren te prevelen in de Rekkense Inrichtingen.

Zat iedereen? Nee, toch twee lege stoelen, terwijl de vier dames die steevast te laat kwamen nu wel degelijk hun vaste plaats hadden ingenomen. Al bijna een week met dit gezelschap op pad, of met de meesten in gesprek aan de bar, was het me nog niet gelukt iedereen bij naam te kennen. ‘Wie ontbreken er, jongens?’, vroeg ik in het algemeen. André en Piet, hoorde ik iemand zeggen. ‘Ja, André en Piet, werd er bevestigd door een van de dames. ’En ze komen ook niet meer terug’, vulde ze aan. ‘Wat?, ze komen niet meer terug?’, herhaalde ik en keek in de richting van Wim, die neutraal voor zich uitkeek. ‘Verklaar je nader’, zei ik op politieachtige toon tegen de informatrice. ’Ja, André en Piet gaan morgen niet mee terug’, herhaalde ze, ‘dat hebben ze gisteren al tegen me gezegd’. Hier schoot ik niks mee op, begreep ik. Trouwens, dat was mijn zaak ook niet. Wim was de leider van het groepje. Ik wilde hem met alle plezier helpen maar dit was wel zijn ‘pakkie-an’. Dat drong nu kennelijk ook tot hem door en hij maakte al aanstalten tot een verhoor van het meisje en eventueel andere betrokkenen. Maar ik besloot dat dit later kon plaatsvinden, eerst maar eens eten.

(Wordt vervolgd)

———-

De tekening is van Han Busstra.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>