
Ver in de vorige eeuw, ik was achtentwintig jaar oud en just married. Ik was net terug van een twee jaar durend verblijf in Zweden en op zoek naar een geschikte baan. Je kon overal terecht, een nieuwe werkkring zoeken was geen enkel probleem.
In de krant een advertentie: ‘Gezocht echtpaar voor het beheer van een jeugdhotel in Zwitserland’. Nou dat zijn wij natuurlijk, zei ik tegen mijn meisje. Op mijn sollicitatiebrief kreeg ik een week later al bericht of we ons voor een gesprek wilden vervoegen bij de NRV, de Nederlandse Reis Vereniging, in Den Haag.
De NRV had op een vijftal plaatsen in Zwitserland eigen hotels, waaronder in het dorpje Prätschli boven Chur een jeugdhotel, capaciteit 30 bedden. Voor dit hotel zocht men voor het zomerseizoen, van april tot oktober een (dynamisch) echtpaar om de zaak te beheren.
De NRV was een tamelijk deftig clubje wist ik, zodat ik m’n shabby jeans pants verruilde voor een passend kostuum. Ook m’n meisje tooide zich op en zo kwamen we niet veel later op een middag te zitten tegenover de directie van deze reisorganisatie, die bestond uit een freule op leeftijd, een eveneens bejaarde jonkheer plus nog een drietal bestuurders zonder adellijke titel.
De eerste vraag die gesteld werd was of wij wisten wat de NRV beoogde en of wij op de hoogte waren van het imago van de club. Dat wist ik makkelijk te beantwoorden. Zolang je het woord ‘dynamisch’ gebruikt zit je altijd goed. Ook het meest suffe bedrijf ziet zichzelf graag als dynamisch betiteld.
De taak van het beheerdersechtpaar bestond voornamelijk uit het managen van het hotel, wat inhield begreep ik, zorgen dat de zaak niet uit de hand liep wat nog niet zo eenvoudig was met dertig jongeren in een paar slaapzalen.
Ook werd verwacht dat ik een keer of twee per week een bergwandeling organiseerde voor de vakantiegangers. Daarnaast moest ik de benodigde levensmiddelen en dranken inkopen.
Naast het beheerdersechtpaar was er een drietal Nederlandse meisjes werkzaam om te koken, het eten te serveren en de bedden op te maken.
Voor het onderhoud, het schoonmaken van het gebouw en het snoeien en gras maaien in de bijbehorende tuin moest ik zelf ter plekke een of twee jonge ‘goedkope Italianen’ in dienst nemen.
Het hotel zelf bestond behalve uit de slaapzalen uit een paar privé vertrekken voor ons en de Nederlandse meisjes. De Italianen moesten zelf voor onderdak zorgen.
Maar nu kwam het: meerdere weken per seizoen was het hotel bestemd voor vakantiebesteding van jeugdige delinquenten die in Nederland langdurig opgesloten zaten in jeugdgevangenissen maar die een week onder strenge begeleiding op vakantie mochten. Hoe dacht ik daarover en kon ik dat aan, was de vraag. Ik neem aan dat er voldoende begeleiding is, was mijn antwoord. Daar werd voor gezorgd, dat was het probleem niet. Maar in de loop van zo’n week wilde er nog wel eens een of meerdere jongeren verdwijnen en dan was het een hele zoektocht de ontsnapten weer terug te vinden. En je kon niet ongelimiteerd een beroep doen op de plaatselijke politie, die zich trouwens maar sporadisch in het dorp vertoonde.
‘Ik zie er niet tegen op’, zei ik lichtvaardig, alhoewel ik wel degelijk dacht, waar begin ik aan.
Terwijl het gesprek nog even doorging en we op onze taalvaardigheden van het Duits en Frans werden getest terwijl in dit gebied, wist ik, uitsluitend Schwyzerdütsch werd gesproken, kregen we zo half en half het idee dat we wel zouden worden aangenomen.
Of we een auto hadden? Die hadden we. Een blanco strafregister? Hoe durven ze, dacht ik maar ik gaf toch maar antwoord: daar konden we ook aan voldoen. Of mijn vrouw in verwachting was? Nog zo’n indiscrete vraag. Nee hoor, dat was ze niet.
De betaling hield niet over, eigenlijk miniem vond ik, maar als een afgelegen hotel een bar heeft, en dat had het dan zijn er altijd mogelijkheden om een karige beloning te compenseren.
Twee weken later kregen we onze aanstelling en begin april reden we richting Zwitserland. Tot Chur op overzichtelijke wegen maar naar het dorpje Prätschli waren er honderd bochten en ontbrak op vele plekken een geruststellend muurtje of hek.
Het dorp was een typische wintersportplaats met een paar hotels, ‘vakwerkhuizen’, grazige weiden en een sleeplift. Leuk voor de winter maar wat moest je in hemelsnaam hier uitvoeren in het zomerseizoen, was mijn eerste gedachte. Een hele zomer die wij geacht werden hier door te brengen. De sleutels van ons jeugdhotel kreeg ik van een buurmanboer die honderdvijftig meter verder woonde en die pas na overhandigen van een recommandatiebrief, die ik van de NRV had meegekregen, met tegenzin overeind kwam van zijn ligstoel en iets onverstaanbaars mompelde in zijn eigen taal. Deze vitaal ogende man heb ik de hele zomer elke dag niet anders gezien, liggend in een stoel op zijn balkon, onderwijl zijn vrouw commanderend, die met een zeis niet alleen het gras moest kort houden, maar ook het graan oogstte, alsook de man regelmatig van bier voorzag.
Ons hotel zag er ongeveer uit zoals ik me had voorgesteld. Geheel opgetrokken uit hout, een grote eetzaal met een veertigtal stoelen, daarnaast een recreatieruimte voorzien van gemakkelijke stoelen, een paar banken en niet onbelangrijk: een echte cafébar. Een brede trap leidde naar een bovenverdieping waar drie slaapzalen waren met elk tien bedden plus een aantal doucheruimtes.
Tot mijn opluchting waren de vertrekken waar wij zouden wonen gevestigd in een separaat gebouw náást het hoofdgebouw. Ook dat zag er ‘Gemütlich’ uit. Woonkamer, open haard, vier slaapvertrekken, waarvan ik onmiddellijk de grootste annexeerde.
De andere kamers waren bestemd voor ons Nederlands personeel dat een week later, gelijk met de eerste gasten zou arriveren. Bij de ingang was een trap die voerde naar een keldergewelf waar op planken een grote hoeveelheid blikgroenten stond opgestapeld. In een hoek lagen een paar jutezakken die gevuld waren met verschrompelde aardappeltjes. Maar zowaar stonden er ook een tiental flessen wijn en een volledig gevulde krat pils. De uiterste gebruiksdatum op de blikken groente was al enkele jaren verstreken. Ook de aardappelen deden niet meer eetbaar aan, die konden zo het ravijn in. Maar de pils en de wijn waren aan de etiketten te zien nog best drinkbaar
Het dorpje telde een stuk of drie restaurants die alle gesloten bleken. Alleen geopend tijdens het skiseizoen. Er zat niets anders op dan de ijzingwekkend bochtige weg weer terug te rijden alwaar we spoedig een restaurant vonden waar uitsluitend de typisch Zwitserse specialiteit aardappelrösti werd geserveerd, iets wat ik die zomer nog een keer of twintig zou eten.
De hele week brachten we eigenlijk door met niets doen, heerlijk in de zon zitten. Wel moest ik uitvinden waar ik m’n levensmiddelen kon betrekken. Ik had vrijwel geen instructies ontvangen omtrent de gang van zaken. Ook was me niet gezegd waar, bij welke leveranciers ik m’n spullen moest kopen, maar daar was ik snel achter. Als het maar bezorgd werd.
Bij een arbeidsbureau in Chur waar een rijtje werkzoekenden waren ingeschreven, nam ik twee Italiaanse jongens aan, die volgens hun zeggen overweg konden met een grasmaaier, alsmede niet tegen wat schilderwerk opzagen. (Italianen waren in die tijd de ‘gastarbeiders’ van Zwitserland).
Zo brak de dag aan dat de eerste groep vakantiegangers arriveerde, donderdagochtend 10 uur. Die hadden dus de hele nacht doorgereden en de gevolgen waren zichtbaar. Slaapdronken vielen ze de bus uit. De begeleider stelde zich voor: Wim, een gepensioneerde onderwijzer uit het oosten van het land. ‘Zijn dit de jeugdige delinquenten uit een inrichting?, vroeg ik de man. ‘Ja, dat is toch bekend’, antwoordde hij en keek me niet-begrijpend aan. ‘En u bent de enige begeleider?’ ‘Ja, er waren twee politiebeambten mee, maar die zijn bij de grens uitgestapt en weer terug gereisd naar hun woonplaats. ‘Welke grens?’, vroeg ik. Nou, de Nederlands-Duitse’, zei hij gapend, ‘heeft u misschien een kop koffie?’.
28 jongeren telde het gezelschap, waaronder 4 meisjes. Dat betekende dat er vier bedden naar een andere slaapzaal verzet moesten worden om de meisjes hun privacy te geven. Met die taak belastte ik mijn Italianen en dat verliep redelijk soepel, mede omdat de buspassagiers zo snel mogelijk naar bed wilden.
(Wordt vervolgd)
———-
De plaat is van Coc van Duijn.
Meer informatie: http://www.cocvanduijn.nl/
