Doe toch een spelletje mee

Frits

Die blik. Bedachtzaam, onderzoekend, scherp en mild tegelijk. Zo treffend voor wie hij was. 

‘Ja, met Frits’, was zijn openingszin als hij me belde. Er zat iets bescheidens en onontkoombaars in de toon waarmee hij sprak. Het onontkoombare dat alles relatief is, niet in het minst het eigen ego. 
We kwamen elkaar lang geleden voor het eerst tegen. Dat was bij de voorwedstrijden van het Nederlands schaakkampioenschap in 1979. Frits was in 1978 tweede geworden bij het kampioenschap van de Haagse Schaakbond maar doordat de kampioen afzag van deelname was Frits gerechtigd mee te doen aan die voorwedstrijden. Zelf had ik in 1978 het kampioenschap van de Rotterdamse Schaakbond gewonnen en zo troffen we elkaar in Eerbeek waar de voorwedstrijden plaatsvonden. Ik was al vrij snel kansloos door een nederlaag tegen een jeugdspeler. Maar Frits, een paar jaar ouder dan ik, beleefde daar zijn hoogtepunt als schaker. Tot het laatste deed hij mee om een plaats in het Nederlands kampioenschap maar moest door een ongelukkige nederlaag in de voorlaatste ronde zijn droom (?) opgeven om een keer mee te doen op het hoogste podium. 
Frits was een sterke speler, meerdere keren kampioen van de club waar hij lid van was, SV Den Haag, Promotie (Zoetermeer) en DD (Den Haag). Positioneel was hij erg goed. Maar in de vrije partijtjes die we veel later wel eens speelden, ontdekte ik niettemin zijn zwakte: tactiek.                                                                                      
Nu ik erover nadenk, is het precies dát wat hem niet erg interesseerde. De grote lijn, daar ging het hem om en niet de toevalligheden die de kijk op wat er echt toe doet maar vertroebelen.
Na onze eerste ontmoeting raakten een paar jaar later onze arbeidzame levens met elkaar verstrengeld. Ambtenaar bij het ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur (WVC) waren we en ik leerde hem beter kennen. Dat rustige beschouwende van hem en zijn oprechte nieuwsgierigheid zonder ooit het zicht op het grotere geheel te verliezen maakte van hem een uitstekende manager die overal inzetbaar was. Hoofd van de afdeling Bibliotheken lag nog wel voor de hand gezien zijn grote literaire belangstelling, maar daarna manifesteerde hij zich op terreinen waar hij op het eerste gezicht geen enkele affiniteit mee had, ‘informatievoorziening en financieel beheer’. Na het horen van zijn benoeming tot hoofd Financieel Beheer, zei zijn vrouw: “Wat? Jij kan nog geen girootje uitschrijven!” Meer dan eens vertelde Frits me dat met zichtbaar genoegen.
Het was ook de enige keer dat we samen in een schaakteam speelden, het schaakteam van WVC. In Arnhem wonnen we, ergens in de jaren negentig, het kampioenschap bedrijvenschaak. Na de huldiging gingen we, omhangen met een ‘gouden’ medaille, eten bij een Italiaan. Een mooi meisje kwam de bestelling opnemen en ik vroeg haar of ze kon raden in welke tak van sport we zojuist nationaal kampioen waren geworden. Ze monsterde ons gezelschap en zei toen zonder enige aarzeling: ‘schaken of dammen. Nu moet ik toegeven dat de leden van ons team niet opvielen door een imposante fysieke verschijning, maar dit viel toch een beetje tegen. Frits vond het alleen maar geestig. 

Na verloop van tijd hield Frits het voor gezien bij WVC, nam ontslag en begon voor zichzelf. Dat leek me een gedurfde stap, maar met zijn kwaliteiten was het dat eigenlijk niet. 

We, dat wil zeggen mijn directie Cultureel Erfgoed, hebben hem nog een keer ingehuurd. Er was veel extra geld voor de monumentenzorg beschikbaar gekomen en er moesten nieuwe regelingen komen. Door de moeizame besprekingen met twee rivaliserende uitvoeringsinstanties hadden we behoefte aan een neutrale procesbegeleider. Natuurlijk, Frits! In no time had hij de materie in zijn vingers en leidde hij ons vlot naar de eindstreep.
Maar de basis voor onze vriendschap was toch in de eerste plaats het schaakspel. Ieder jaar bezochten we in januari het schaaktoernooi in Wijk aan Zee. Ook toen Frits niet meer actief schaakte. Ik denk trouwens dat schaken zijn echte passie was en dat zijn anders zo relativerende en beschouwende levenshouding steeds minder bestand was tegen de hitte van het gevecht. De spanning van het spel werd hem met het klimmen der jaren te veel, wellicht was het ook zijn zwakke hart dat hem dwong alleen nog maar toeschouwer te zijn.

Een aantal jaren voegden zich twee vrienden, WVC-collega’s van vroeger, bij ons in Wijk aan Zee. Cees Vis was daar één van. Meestal kwam hij wat later, want van ons had hij de drukste baan. We genoten van de sfeer van het toernooi, zo ver verwijderd van de dagelijkse zorgen. 

Cees en Frits hadden geen geluk met hun lichaam. Cees werd op betrekkelijk jonge leeftijd getroffen door kanker. Hij gaf een interview af met in de kop van het artikel een uitspraak van hem die zijn zwaar christelijke achtergrond verried: “Ik leef in het oneindige nu.” Prachtig vonden we dat.
De laatste keer dat we met ons vieren Wijk aan Zee bezochten, wisten we dat er voor Cees geen volgende keer meer inzat. Op de terugweg, het vroor behoorlijk, bleven we hangen achter een strooiwagen. Cees was in topvorm en trakteerde ons aan de lopende band op moppen en bons mots. Eenmaal achter die strooiwagen vertelde hij een anekdote over een vrouw die ook een keer achter zo’n wagen aanreed. Ze haalde de strooiwagen in en dwong de bestuurder tot stoppen. De bestuurder was kwaad en vroeg: Wat doet u nu? Waarop de vrouw antwoordde: ‘U verliest lading!’ Het was een onvergetelijke laatste rit met ons vieren. Cees overleed niet veel later.                                        
Frits en ik bezochten nog tot voor kort jaarlijks het toernooi. Wat me daarbij opviel was dat Frits niets had met uiterlijk vertoon. Hij droeg vaak een ietwat aftandse bodywarmer en als het erg koud was een weinig flatteuze ijsmuts. Het bleef niet bij die jaarlijkse uitstapjes naar Wijk aan Zee. Beurtelings spraken we af in Rotterdam en Den Haag en gaven ons dan over aan algemene beschouwingen over van alles en nog wat. Ik denk dat we elkaar zagen als vriend zonder dat we het woord ‘vriendschap’ ooit in de mond namen. In ieder geval had ik groot ontzag voor hem. Zeker die keer dat ik hem opzocht in het ziekenhuis na een mislukte dotteroperatie die in een bloedbad was geëindigd en die hij ternauwernood overleefd had. Zijn stoïcijnse verhouding tot leven en dood maakte indruk op me.

De laatste keer dat hij in Rotterdam was, hebben we een wandeling gemaakt langs de plekken van zijn vroegste jeugd, diep in Rotterdam-Zuid. Al heel vroeg werd hij wees. Zijn vader was op jonge leeftijd slachtoffer van een fatale aandoening, eenzelfde aandoening die Frits met medicijnen lang op afstand wist te houden. Uiteindelijk werd hij ingehaald door, naar wat hij vermoedde, bijwerkingen van de medicijnen waren. Zijn ogen lieten het afweten. ‘Musea zijn niet meer aan me besteed’, mailde hij me toen we onze laatste afspraak maakten. Geen klacht, slechts een neerleggen bij de feiten. Maar het zal niet makkelijk geweest zijn voor hem, groot lezer en schrijver.

Zoals gezegd, beschouwden we elkaar naar alle waarschijnlijkheid als vriend. De afstand die Frits altijd bewaarde, was er debet aan dat de vriendschap niet uitgesproken werd en ik ging daarin mee. De keren dat hij zich uitliet over hoe hij me zag, waren spaarzaam. Het dichtstbij kwam nog zijn uitspraak: ‘jij hoort natuurlijk tot het type mens dat niet in het openbaar vervoer zit, maar auto rijdt.’ Ik rijd echter geen auto en reis altijd met het openbaar vervoer, behalve als mijn vrouw rijdt. En dat wist hij natuurlijk.

Frits Hoorweg zal herinnerd worden als de man die samen met Wim Andriessen het roemruchte schaakblad Schaakbulletin oprichtte en later het internetmagazine De Leunstoel en natuurlijk ook door zijn vele vermakelijke stukjes.

Series Navigation<< vorig artikel

Door Wim Westerveld

Everything will be okay in the end. If it’s not okay, it’s not the end.