Ontmoetingen

Eerste schooldag.

Van mijn eerste schooldag herinner ik me niets. Ik herinner mij het klaslokaal met bankjes voor twee personen in plaats van tafeltjes en stoeltjes, een podium met een tafel en een stoel erop en een heel groot telraam, al wist ik toen niet wat dat was. Later ook niet trouwens, want het werd nooit gebruikt.

De tafel en stoel op het podium waren het domein van juffrouw Nabrink, die op dat podium zat met Freddy op haar schoot. Freddy zat eigenlijk achter mij, maar zijn plaats was meestal leeg, omdat hij bij Nabrink op schoot zat met zijn hoofd tegen haar weelderige, zachte boezem. Hij kan daar nog lyrisch over uitweiden.

Nabrink had een vreemde kleur tandvlees, veel roder dan van andere mensen. Mijn moeder vertelde dat ze een kunstgebit had, maar dat had mijn moeder ook en die had geen rood tandvlees.
In die tijd namen veel mensen een kunstgebit, niet omdat het nodig was, maar omdat je met een kunstgebit nooit meer naar de tandarts hoefde. Dat bespaarde angst en geld.

Naast juffrouw Nabrink hadden de meisjes ook nog een handwerkjuffrouw en de jongens een handarbeidmeester. Daar viel voor ons leerlingen niets te kiezen. Meisje: haken, breien en borduren; jongen: zagen, hameren en lijmen. Als mijn vader aan het klussen was, zat ik bovenop zijn lip, maar ik mocht nergens aankomen. Dus ik had wel graag handarbeidles gehad. Handwerken kon ik ook van mijn moeder leren of van mijn tante Lena, die prachtig kon borduren. Op de handwerkles heb ik een prachtig naaldenboekje gemaakt en een speldenkussen. Maar een sok breien was er niet bij. Er waren trouwens ook jongens die liever wilden handwerken. Een jongen met naald en draad was echter nog verontrustender dan een meisje met een zaag. Mijn ouders hadden dat probleem niet. De vader van mijn moeder voer op een haringlogger en daar zaten alle mannen te breien als ze geen haring aan het kaken waren.

Breien heb ik overigens van mijn moeder geleerd, die tot op hoge leeftijd voor zichzelf sokken breide voor in bed. En sokken breien kan ik ook nog steeds, op vier pennen en met een grote en kleine hiel. Dit zou eigenlijk beschermd erfgoed moeten zijn, want breien kan niemand meer. Misschien wil mijn kleinzoon het leren.

———-

De tekening is van de schrijfster

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Katharina Kouwenhoven

Wanneer onbekenden elkaar voor het eerst ontmoeten, vormen zij zich een indruk van elkaar, op basis waarvan zij besluiten of nadere kennismaking een interessante optie is. Voor het vormen van die eerste indruk hebben zij niet veel informatie tot hun beschikking: een paar uiterlijke kenmerken en wat minieme gedragsobservaties. Deze informatie kan worden aangevuld door elkaar wat korte vragen te stellen. De vragen die mensen elkaar stellen bij een eerste ontmoeting hebben praktisch altijd betrekking op biografische gegevens: hoe oud ben je, waar ben je geboren, wat doe je, waar heb je op school gezeten, waar woon je. Het merkwaardige is, dat al deze informatie - uiterlijk, houding, presentatie, biografische gegevens - helemaal niets zegt over met wat voor soort mens we te maken hebben, een psychopathische seriemoordenaar of een zachtaardige steunpilaar van de maatschappij. Toch willen we dat laatste graag weten. Als ik iets over mezelf wil zeggen, kan ik proberen nooit gestelde, maar wel prangende vragen te beantwoorden of me te beperken tot de informatie die normaal verschaft wordt bij een eerste ontmoeting. Ik denk dat ik me beperk tot het laatste, want dat is veelzeggend genoeg.Ik ben woonachtig te Amsterdam, alleenstaand, werkzaam, goed opgeleid en dol op bubbeltjeswijn.(Ik maak inmiddels ook tekeningetjes voor De Leunstoel.)