

Het thema van de Dreeslezing was een blik vooruit naar 2040. Bij die lezing hoort een essaywedstrijd voor bestuurskundestudenten van de Haagse Hogeschool. Onze redacteur Willem Minderhout organiseert dat. Een jury bestaande uit Sharon Gesthuizen, Romke van der Veen en Lotte Prins heeft een top drie vastgesteld uit door Willem in samenwerking met Aukje van Roessel geselecteerde ‘nominaties’. Deze drie winnende essays zijn traditiegetrouw opgenomen in deze Leunstoel. Voor de andere schrijvers van de Leunstoel was dit een aangekondigd thema. Willem stuurde Henk Klaren en mij, als zijn mederedacteuren, ook de andere genomineerde essays. Een van die essays trof mij bijzonder omdat ik als een soort museumredacteur van ons tijdschrift ben begonnen.
Het essay liet mij nadenken over de vraag hoe de kunst er bij Drees voor stond. Ik ben geboren toen Drees aantrad en werd mij dus van de wereld bewust tegen de tijd dat hij al van het politieke toneel was verdwenen. In 1965 begon mijn wereld te bruisen van verzet tegen de eerste saaie twintig jaren na de oorlog. De wereld vernieuwde zich en de kunst vernieuwde zich. Maar een goed overzicht over wat de kunst onder Drees geleverd heeft heb ik niet. Er zijn wat uitzonderingen: schrijvers en dichters zijn groot geworden. Karel Appel en Cobra haalden de schilderkunst overhoop. Dat zijn dingen die ik later heb meegekregen maar niet heb meebeleefd.
NU gaat het erom wat er nog van de kunst over is in 2040. Ik denk dat er heel veel anders wordt. Het is duidelijk dat de cultuur zoals wij die kennen en zoals die door onze gekozen overheid nog altijd wordt ondersteund het moeilijk krijgt. Uiterst en materialistisch rechts – om het zo maar uit te drukken – heeft weinig of niets met de bestaande cultuur. Kunstenaars horen bijna per definitie vooruit te lopen in het denken over de toekomst en dat is volledig strijdig met het rechtse denken. Op zijn best zal rechts een paar klassieke vormen – muziek, dans, de oude meesters in de schilderkunst – in stand houden.
We zien in Amerika, na de oorlog voor velen het beloofde land van nieuwe en vernieuwende kunst, hoe snel het kan gaan als er een soort dictator komt met een andere smaak. En dan gaat het echt niet alleen om de strijd tegen vernieuwing maar ook en vooral om het uitsluiten van alles en iedereen die ‘anders’ is: van geaardheid, van afkomst, van kleur, van godsdienst.
Hoe ik op deze gedachten kom?
In één van de bijdragen die geen prijs won vroeg de jonge schrijfster, een opkomende danseres, zich af hoe het in 2040 met de kunst zou zijn. Het verhaal was breed en golfde van dans en de prijs van toegangskaartjes voor muziekvoorstellingen over de boekenprijs naar het belang van de kunst voor onze maatschappij. Met een voorzichtige hoop dat ze in 2040 als ex-danseres kan terugkijken op een mooie tijd omdat ze vindt dat het geven en beleven van kunst belangrijk is.
Ik vond het een prachtig essay. Gelukkig vonden Henk en Willem dat ook, dus deze keer reiken we een eervolle vermelding namens de Leunstoelredactie uit aan Sophie van Broeckhuijsen en we plaatsen ook haar bijdrage: ‘Wat is kunst nog in dit land? Een stukje vel met een houten rand eromheen’, als vierde essay in deze Leunstoel.
———-
De illustratie is gekozen als tijdsbeeld.
