archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > Beelden uit soberder tijden delen printen terug
Mijn leven als arbeider Carlo van Praag

2009BS ArbeiderDe excursie van de sociaalgeografen ging dat jaar (we spreken van 1960) helemaal naar Israël. Niet met het vliegtuig door de lucht, maar met de trein naar Marseille (tussen Franse soldaten op weg naar de oorlog in Algerije), en vervolgens per schip naar Haifa. Om kennis te maken met het systeem, maar vooral om de kosten te drukken, verbleven wij een week in een kibboets. Wij werden daar te werk gesteld in een aardappelveld om onkruid te wieden. Het was warm, het onkruid was manshoog, hier en daar voorzien van stekels en niet weinigen van ons leden aan spuitpoep (ik weet niet hoe je het nettere woord diarree spelt). De arbeidsproductiviteit was dan ook laag. De opzichter, zittend aan de kant, tegen een wagenwiel geleund, riep mij en richtte zich tot mij in de landstaal.
‘Jij spreekt toch een beetje Hebreeuws. Zeg hen dat er een tijd is voor werk en een tijd voor rust. Nu is het de tijd voor werk.’
‘Goed, maar mag ik dan hier naast je komen zitten. Je kunt mij beter als tolk gebruiken dan als arbeider’.
Dit was in mijn 18-jarige loopbaan in het onderwijs een van de weinige keren dat ik echte fysieke arbeid verrichtte. Ik was voorbestemd om hoofdarbeider te worden, geen handarbeider. Ook de meest simpele handarbeid in de vorm van klussen rondom huis of tuin was mij vreemd. Ik kon nog geen fietsband plakken.

Bouwvakker

Na mijn doctoraal geraakte ik in het bezit van een buitenlandse studiebeurs, waarmee ik wederom in Israël belandde, nog steeds niet met een vliegtuig door de lucht, maar per 2CV (lelijke eend) naar Athene en vandaar met de boot. Ik was inmiddels getrouwd en in het gezelschap van mijn vrouw, maar de studiebeurs was niet berekend op het onderhoud van twee personen en al gauw werden wij getroffen door nooddruft. Wij hadden goedkope huisvesting gevonden in een wijk voor nieuwe immigranten en woonden in een van de betonnen, bunkerachtige huisjes die daar de architectuur uitmaken. We kookten op een primus, want gas behoorde niet tot de voorzieningen. De wijk was rijk aan kinderen die zich al gauw meester hadden gemaakt van de spiegels van onze 2CV. Naast ons een gastvrije Tunesische familie en via de man vond ik werk in de bouw met het oog op enige bijverdienste.
‘Je kunt trots op jezelf zijn, Carlo, want je wordt nu arbeider’, zei mijn bemiddelaar.

Ik moest samen met een Roemeense immigrant lange balken dompelen in een carboleumbad (teerolie, sinds lang verboden) en die balken vervolgens naar een andere locatie op de bouwplaats dragen. De weg ging door het mulle zand en wij werden opgejaagd door een opzichter met een sterk Duits accent. Ik kwam in de namiddag thuis, totaal uitgeput en vervuild. De douche die ik nam was geen partij voor de kleverige donkerbruine substantie die mij aankleefde. Ik heb het nog twee dagen volgehouden en toen deed ik afstand van mijn bouwvakkerschap en bijbehorende trots.

Botervloten maken

Daarna heb ik in mijn studententijd nog een keer als handarbeider gewerkt en wel in de Luxor plasticfabriek, gevestigd in een pakhuis aan de Prinsengracht in mijn woonstad, Amsterdam. Losse arbeiders werden, buiten het genot van enige sociale zekerheid, redelijk betaald. Je werd per dag aangenomen of ontslagen, al naar gelang de heersende ruimte of krapte op de arbeidsmarkt. Ik werd aan het werk gezet aan een matrijs die ik moest vullen met plastic korrels. Die werden gemalen en zodanig verhit dat het plastic smolt en uitvloeide in de matrijs. Een en ander ging gepaard met golven van hitte en een oorverdovend lawaai. Ik werd verondersteld op deze manier botervloten te maken, maar het is mij in al die dagen slechts eenmaal gelukt een product te vervaardigen dat daarop leek. Dat heb ik mee naar huis genomen. Misschien werd mijn gebrek aan vaardigheid opgemerkt en werd ik daarom elders in het bedrijf te werk gesteld. Ik moest helpen de schuiten te lossen die de zakken met plastic grondstof aanvoerden. Die moesten naar de zolder van het pakhuis worden gehesen en daar netjes worden opgestapeld. Dit werk beviel mij een stuk beter, maar jammer genoeg vond juist op die dag weer een grote ontslagronde plaats en keerde ik nog voor de middag huiswaarts.

Bosbouw

Nog eenmaal zou ik, los van enkele verhuizingen, lichamelijk arbeid verrichten, ditmaal in de bosbouw. Ik liet mij door een vriend overhalen om essenhakhoutbeheersvrijwilliger te worden bij het essenhakhoutvrijwilligersbeheer in de Raaphorst in Voorschoten waar ik na mijn studie terechtkwam. Wij werden daar in het bezit gesteld van beugelzagen en moesten opgeschoten jonge bomen omzagen. Mooi werk en niet zonder uitdagingen. Eerst moest je een valroute voor de boom uitzoeken, dan een wig uit de valzijde uitzagen en vervolgens het eigenlijke omzaagwerk vanaf de andere kant. Het viel voor de beginneling niet mee door een 20 centimeter dikke stam te zagen zonder vast te raken. Het hout was nat en het zaagblad had de neiging tot golven. Je moest luidkeels waarschuwen als de boom, bij voorkeur in de gewenste richting, ging vallen en hem dan met een bijltje van zijtakken ontdoen. Daarna moest hij, weer met de beugelzaag, in blokken van een meter worden verdeeld en die moesten naar de weg worden gedragen. Dat was het zwaarste deel van het werk, met op elke schouder een meter nat hout door moeilijk begaanbaar terrein met aan het einde een smalle loopplank over een sloot. Ik moet bekennen dat ik ook hier na enkele zaterdagochtenden verstek heb laten gaan. Ik ben een geboren opgever.

Klusjesman

Inmiddels doe ik hand- noch hoofdarbeid meer, tenminste niets wat ertoe doet. Ik klus af en toe in huis en heb daar, ondanks mijn twee linkerhanden, wel aardigheid in gekregen. Eenvoudige houtconstructies liggen binnen mijn bereik. Ik kan elektrische leidingen, mits in het zicht, doortrekken voor de aanleg van een nieuw stopcontact. Ik heb een klein muurtje gestuukt, in de wc weliswaar, maar toch! Op het toppunt van mijn kunnen heb ik een geiser uit elkaar gehaald om het membraam te vervangen. Ik kan nu heus wel een band plakken, maar meestal vervang ik hem.
Het stelt allemaal niet zoveel voor, maar ik put er wel voldoening uit.

----------

De illustratie is van Alex Verduijn den Boer.



© 2023 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "Beelden uit soberder tijden" -
Beschouwingen > Beelden uit soberder tijden
Mijn leven als arbeider Carlo van Praag
2009BS ArbeiderDe excursie van de sociaalgeografen ging dat jaar (we spreken van 1960) helemaal naar Israël. Niet met het vliegtuig door de lucht, maar met de trein naar Marseille (tussen Franse soldaten op weg naar de oorlog in Algerije), en vervolgens per schip naar Haifa. Om kennis te maken met het systeem, maar vooral om de kosten te drukken, verbleven wij een week in een kibboets. Wij werden daar te werk gesteld in een aardappelveld om onkruid te wieden. Het was warm, het onkruid was manshoog, hier en daar voorzien van stekels en niet weinigen van ons leden aan spuitpoep (ik weet niet hoe je het nettere woord diarree spelt). De arbeidsproductiviteit was dan ook laag. De opzichter, zittend aan de kant, tegen een wagenwiel geleund, riep mij en richtte zich tot mij in de landstaal.
‘Jij spreekt toch een beetje Hebreeuws. Zeg hen dat er een tijd is voor werk en een tijd voor rust. Nu is het de tijd voor werk.’
‘Goed, maar mag ik dan hier naast je komen zitten. Je kunt mij beter als tolk gebruiken dan als arbeider’.
Dit was in mijn 18-jarige loopbaan in het onderwijs een van de weinige keren dat ik echte fysieke arbeid verrichtte. Ik was voorbestemd om hoofdarbeider te worden, geen handarbeider. Ook de meest simpele handarbeid in de vorm van klussen rondom huis of tuin was mij vreemd. Ik kon nog geen fietsband plakken.

Bouwvakker

Na mijn doctoraal geraakte ik in het bezit van een buitenlandse studiebeurs, waarmee ik wederom in Israël belandde, nog steeds niet met een vliegtuig door de lucht, maar per 2CV (lelijke eend) naar Athene en vandaar met de boot. Ik was inmiddels getrouwd en in het gezelschap van mijn vrouw, maar de studiebeurs was niet berekend op het onderhoud van twee personen en al gauw werden wij getroffen door nooddruft. Wij hadden goedkope huisvesting gevonden in een wijk voor nieuwe immigranten en woonden in een van de betonnen, bunkerachtige huisjes die daar de architectuur uitmaken. We kookten op een primus, want gas behoorde niet tot de voorzieningen. De wijk was rijk aan kinderen die zich al gauw meester hadden gemaakt van de spiegels van onze 2CV. Naast ons een gastvrije Tunesische familie en via de man vond ik werk in de bouw met het oog op enige bijverdienste.
‘Je kunt trots op jezelf zijn, Carlo, want je wordt nu arbeider’, zei mijn bemiddelaar.

Ik moest samen met een Roemeense immigrant lange balken dompelen in een carboleumbad (teerolie, sinds lang verboden) en die balken vervolgens naar een andere locatie op de bouwplaats dragen. De weg ging door het mulle zand en wij werden opgejaagd door een opzichter met een sterk Duits accent. Ik kwam in de namiddag thuis, totaal uitgeput en vervuild. De douche die ik nam was geen partij voor de kleverige donkerbruine substantie die mij aankleefde. Ik heb het nog twee dagen volgehouden en toen deed ik afstand van mijn bouwvakkerschap en bijbehorende trots.

Botervloten maken

Daarna heb ik in mijn studententijd nog een keer als handarbeider gewerkt en wel in de Luxor plasticfabriek, gevestigd in een pakhuis aan de Prinsengracht in mijn woonstad, Amsterdam. Losse arbeiders werden, buiten het genot van enige sociale zekerheid, redelijk betaald. Je werd per dag aangenomen of ontslagen, al naar gelang de heersende ruimte of krapte op de arbeidsmarkt. Ik werd aan het werk gezet aan een matrijs die ik moest vullen met plastic korrels. Die werden gemalen en zodanig verhit dat het plastic smolt en uitvloeide in de matrijs. Een en ander ging gepaard met golven van hitte en een oorverdovend lawaai. Ik werd verondersteld op deze manier botervloten te maken, maar het is mij in al die dagen slechts eenmaal gelukt een product te vervaardigen dat daarop leek. Dat heb ik mee naar huis genomen. Misschien werd mijn gebrek aan vaardigheid opgemerkt en werd ik daarom elders in het bedrijf te werk gesteld. Ik moest helpen de schuiten te lossen die de zakken met plastic grondstof aanvoerden. Die moesten naar de zolder van het pakhuis worden gehesen en daar netjes worden opgestapeld. Dit werk beviel mij een stuk beter, maar jammer genoeg vond juist op die dag weer een grote ontslagronde plaats en keerde ik nog voor de middag huiswaarts.

Bosbouw

Nog eenmaal zou ik, los van enkele verhuizingen, lichamelijk arbeid verrichten, ditmaal in de bosbouw. Ik liet mij door een vriend overhalen om essenhakhoutbeheersvrijwilliger te worden bij het essenhakhoutvrijwilligersbeheer in de Raaphorst in Voorschoten waar ik na mijn studie terechtkwam. Wij werden daar in het bezit gesteld van beugelzagen en moesten opgeschoten jonge bomen omzagen. Mooi werk en niet zonder uitdagingen. Eerst moest je een valroute voor de boom uitzoeken, dan een wig uit de valzijde uitzagen en vervolgens het eigenlijke omzaagwerk vanaf de andere kant. Het viel voor de beginneling niet mee door een 20 centimeter dikke stam te zagen zonder vast te raken. Het hout was nat en het zaagblad had de neiging tot golven. Je moest luidkeels waarschuwen als de boom, bij voorkeur in de gewenste richting, ging vallen en hem dan met een bijltje van zijtakken ontdoen. Daarna moest hij, weer met de beugelzaag, in blokken van een meter worden verdeeld en die moesten naar de weg worden gedragen. Dat was het zwaarste deel van het werk, met op elke schouder een meter nat hout door moeilijk begaanbaar terrein met aan het einde een smalle loopplank over een sloot. Ik moet bekennen dat ik ook hier na enkele zaterdagochtenden verstek heb laten gaan. Ik ben een geboren opgever.

Klusjesman

Inmiddels doe ik hand- noch hoofdarbeid meer, tenminste niets wat ertoe doet. Ik klus af en toe in huis en heb daar, ondanks mijn twee linkerhanden, wel aardigheid in gekregen. Eenvoudige houtconstructies liggen binnen mijn bereik. Ik kan elektrische leidingen, mits in het zicht, doortrekken voor de aanleg van een nieuw stopcontact. Ik heb een klein muurtje gestuukt, in de wc weliswaar, maar toch! Op het toppunt van mijn kunnen heb ik een geiser uit elkaar gehaald om het membraam te vervangen. Ik kan nu heus wel een band plakken, maar meestal vervang ik hem.
Het stelt allemaal niet zoveel voor, maar ik put er wel voldoening uit.

----------

De illustratie is van Alex Verduijn den Boer.

© 2023 Carlo van Praag
powered by CJ2