Uit het leven zelf

Afscheid op de kade.

Na WOII voeren er grote passagiersschepen van en naar Indonesië vanuit Amsterdam en Rotterdam. Aagje vertrok meteen na haar huwelijk uit Amsterdam met de Oranje, ik denk vanuit het Oosterdok. De gemeente Amsterdam had weer eens geblunderd toen zij het oostelijk havengebied ging ontwikkelen terwijl het Noordzeekanaal bijna klaar was en de schepen zo westwaarts de zee op konden. Vanuit de oostkant van Amsterdam moest je nog altijd met een omweg naar de zee. Aagje zal dat wel niet geïnteresseerd hebben, want die had al zorgen genoeg, voor het eerst alleen op een reis die wel drie weken zou duren.
Mijn vader werkte op de NDSM-werf, waar de Oranje voor reparaties en onderhoud in het dok ging. Hij werkte toen nog op zaterdagochtend, want de 40-urige werkweek was nog niet ingevoerd. In de schoolvakanties mocht ik soms met hem mee op zaterdag en zodoende heb ik die Oranje wel eens in het dok zien liggen. Een enorm schip, zo groot als sommige cruiseschepen met 11 verdiepingen nu. Ik mocht mee dat schip op om te zien hoe de luxe hutten opgeknapt werden. Je had toen nog 3 klassen hutten, zoals je nog steeds 2 klassen rijtuigen hebt op het spoor. Die luxe hutten mochten er zijn, met spiegels en kroonluchters en enorme bedden met zachte matrassen en zijden beddegoed. Maar het meest fascinerende op dat schip was, dat alles op een of andere manier vastzat, zodat bij slecht weer, als het schip ging ‘rollen’, de meubels niet door de hut vlogen.
Aagje reisde natuurlijk 3e klasse, want dat was het goedkoopste. Toen ze vertrok zwaaiden we haar uit op de kade. Alle passagiers bevonden zich aan dek, huilend en schreeuwend en op de kade huilden en schreeuwden wij terug, wuivend met zakdoeken en sjaals. En dan zette dat enorme schip zich langzaam in beweging en wij liepen zo ver mogelijk mee, maar dan moesten we hem laten gaan en in een bedrukte stemming gingen we terug naar huis, wachtend op bericht dat ze veilig was aangekomen.

Series Navigation<< vorig artikelvolgend artikel >>

Door Katharina Kouwenhoven

Wanneer onbekenden elkaar voor het eerst ontmoeten, vormen zij zich een indruk van elkaar, op basis waarvan zij besluiten of nadere kennismaking een interessante optie is. Voor het vormen van die eerste indruk hebben zij niet veel informatie tot hun beschikking: een paar uiterlijke kenmerken en wat minieme gedragsobservaties. Deze informatie kan worden aangevuld door elkaar wat korte vragen te stellen. De vragen die mensen elkaar stellen bij een eerste ontmoeting hebben praktisch altijd betrekking op biografische gegevens: hoe oud ben je, waar ben je geboren, wat doe je, waar heb je op school gezeten, waar woon je. Het merkwaardige is, dat al deze informatie - uiterlijk, houding, presentatie, biografische gegevens - helemaal niets zegt over met wat voor soort mens we te maken hebben, een psychopathische seriemoordenaar of een zachtaardige steunpilaar van de maatschappij. Toch willen we dat laatste graag weten. Als ik iets over mezelf wil zeggen, kan ik proberen nooit gestelde, maar wel prangende vragen te beantwoorden of me te beperken tot de informatie die normaal verschaft wordt bij een eerste ontmoeting. Ik denk dat ik me beperk tot het laatste, want dat is veelzeggend genoeg.Ik ben woonachtig te Amsterdam, alleenstaand, werkzaam, goed opgeleid en dol op bubbeltjeswijn.(Ik maak inmiddels ook tekeningetjes voor De Leunstoel.)