Ik voel me aan de struisvogel verwant Ik ren, want ik probeer niet stil te staan Bij alles wat er nu lijkt mis te gaan Ik stop liever mijn kop maar in het zand
Ik ben een wezen dat in het duister tast
Onder de vogels ben ik een zwaargewicht Ben om te vliegen onvoldoende licht
Ik kies dus maar de uitweg die mij past
Voorover met mijn kop diep in het zand Houd ik me verre van al die enge mannen Die een gevaar vormen voor de savanne In de grond weet ik dat de wereld brandt
Mij rest niets anders dan het beste ervan hopen
Tot er niets overblijft, dan heel hard weg te lopen
Het schrijven van gedichten, rijmpjes en verzen zit me in het bloed. Mijn vader deed het. Sinterklaas was mijn belangrijkste held. Later kwamen daar Trijntje Fop, John O’Mill en Daan Zonderland bij. Teksten van liedjes en cabaret bleven als vanzelf in mijn hersenpan steken. Pas als student begon ik zelf te schrijven. Later toen ik student-assistent was, schreef ik verzen voor een blad van de vakgroep onderwijskunde, waarvan ik deel uitmaakte. Iemand raadde me aan eens wat op te sturen aan het tijdschrift ‘De Tweede Ronde’. Vijf rijmpjes werden geplaatst. Af en toe zijn er sindsdien verzen van mij geplaatst in bundels of tijdschriften. Inmiddels voel ik me een dichter. Ik schrijf teksten, gedichten en ook nog altijd rijmpjes. De Leunstoel biedt mij een prachtige kans om gedisciplineerd te werken en tenminste 20 tot 30 sonnetten of andere producten per jaar te maken. Af en toe kijk ik in het archief van De Leunstoel en ben dan met een deel van wat ik daaraan heb bijgedragen voorzichtig tevreden.