archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 20
Jaargang 17
1 oktober 2020
Nummer 1 verschijnt op
15 oktober 2020
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
De ontsnapping van Co Dankaart (3) Willem Minderhout

1716VG CoDankaartIk de vorige Leunstoel schreef ik dat ik dankzij de memoires van Co Dankaart, die ik van zijn zoon Daan kreeg, ineens een zeer intiem beeld van de man kreeg, dat noch Harmsen noch Cornelissen in hun beschrijvingen van het communistisch verzet bieden.
Co begon zijn memoires te schrijven op 1 april 1980 in Calpe, een Spaans dorp in de buurt van Benidorm. “1 april 1980 (dit is geen aprilmop). Opgedragen aan m'n jongste kleinzoon Patrick André Croes (3), die me op 07-11-1979 twee schrijfbloks kado gaf voor mijn 67e verjaardag, aan m'n oudste kleinzoon Menno Victor Dankaart (5) en aan m'n kleindochter Marianne Mareva Dankaart (2).”
Dit is het begin van een min of meer chronologische terugblik op zijn leven, maar het begint met een beschrijving van ‘het schaftlokaal, de gesprekken en de schijthuizen’ van de werf van de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij, de latere NDSM, waar hij aan het eind van de twintiger jaren van de vorige eeuw actief werd in de Scheepsbouwcel van de Communistische Jeugdbeweging.  

Co’s ouders waren uit Zeeland naar Amsterdam getrokken waar zijn vader eerst als grondwerker bij de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal en daarna als havenarbeider zijn brood verdiende. De Dankaarts woonden in de Amsterdamse Czaar Peterbuurt, een arbeidersbuurt. Co beschrijft het leven daar zonder enige terughoudendheid. Lees bijvoorbeeld de beschrijving van de thuiskomst van zijn vader na een avondje stappen: ‘in de Czaar Peterstraat 36 aangekomen volgde dan het slotaccoord. Dat bestond uit gezang van Wannes: "Ik heb een meisie....", geïnterrumpeerd door Trien: "Wannes hou op". Het vervolg heb ik nooit mogen horen, het was waarschijnlijk een heel schuin liedje voor die dagen. Dan trok hij z'n schoenen uit en sodemieterde die met groot geweld door de kleine kamer. Daarop volgde dan het refrein dat bestond uit: Godsodemieterse klerekanker marinepestpokke...." (de rest ben ik vergeten). Daarop kroop hij met Trien in de bedstede, waarvan aan het voeteinde mijn bedstee grensde. Soms als ik niet direkt in slaap viel hoorde ik dan aan de andere zijde van het tussenschot: "Trien heb je geen zin?" -of veel gedraai en beweging... De volgende dag op zondagmorgen werden mijn moeder en ik dan door m'n vader gewekt met thee en beschuit op bed.”

Het hele verhaal zou eigenlijk integraal uitgegeven moeten worden. De memoires zijn een bron voor oneindig veel stukjes, dus wie weet wordt dit een Dankaart-feuilleton. Deze serie heet echter ‘de ontsnapping van Co Dankaart’, dus ik zal me daar nu toe beperken. In de vorige episode beschreef ik zijn arrestatie in Amsterdam en zijn ontsnapping uit het Zuidwalziekenhuis. De beschrijving die hij er zelf van geeft is echter vele malen
boeiender.
Voordat Co en Daan de Harderwijkboot zouden nemen heeft Co nog een afspraak met één van zijn medewerkers, André. André blijkt echter gearresteerd te zijn en te zijn doorgeslagen.
“Om half twee zat ik op mijn fiets bij de afrit van de Blauwbrug en had vandaar goed zicht op de halte van lijn 9, bij het speeltuinhek. Tegen vijf over half twee, zoals de klok van de bank op het Rembrandtsplein aanwees, fietste ik nog een keer het huizenblok rond. Weer bij de brug, nog geen André in zicht en rezen er bange vermoedens.
Op het moment dat ik besloot te vertrekken, zag ik tot mijn opluchting André, langs het hek komen aanwandelen. Zonder de omgeving verder te observeren reed ik hem tegemoet, stak op de fiets schuin de straat over en gaf hem een hand. Na een paar woorden tegen hem te hebben gezegd, stonden er 2 kerels achter me met een revolver in mijn rug. Zij waren aan de andere kant van de straat gelijk met André opgelopen.

André was 's morgen op zijn werk gearresteerd. Hij was kennelijk zeer spoedig na zijn arrestatie in een angstpsychose gebracht en fungeerde om half twee als lokvogel.
Wat ruim drie jaar zonder tegenslagen verlopen was, kwam hiermee in een duizelingen verwekkende draaikolk. Mijn hart voelde ik in mijn keel kloppen. De greep naar mijn revolver werd met de hand in m'n colbert geblokkeerd en de armen omgedraaid.
Dat het zolang goed was gegaan had ons ongetwijfeld overmoedig en onvoorzichtig gemaakt. Het was achteraf gezien natuurlijk geen overdaad geweest, als ik mij die dag door 1 of 2 gewapende schaduwen had laten volgen, b.v. door Klaas en P.E.D...- hád....hád....
Altijd weer als ik aan dit moment terug denk neem ik mijzelf de begane onvoorzichtigheid kwalijk. Wat een stommiteit om zo vlak voor onze geplande aftocht, de Gestapo dit succes in handen te spelen. Het zij zo.
Mijn fiets werd tegen het hek gezet. Naast André moest ik met de handen omhoog, langs het hek in de richting Jonas Daniël Meyerplein (politiepost), de 2 Gestapolieden, ieder met een revolver in onze rug, erachter.

Aan het eind van het hek ben ik weggerend met de schietende bewaker achter me. Mijn nadeel was dat dit deel van de Jodenbuurt uitgestorven was. Weg komen in het publiek was er niet bij. Het was voor mijn achtervolger een vrije onbelemmerde jacht. Deze jacht duurde toch nog verscheidene honderden meters. Vanaf het Waterlooplein, door de Lange Houtstraat, Korte Houtstraat arriveerde ik weer halverwege op het Waterlooplein, kreeg daar een schampschot in de linkerzij en tenslotte een kogel in de rechtervoet, waarna ik kwam te vallen en een loods werd binnengebracht. Vandaar werd ik na een half uur door een zestal Gestapolieden opgehaald.
Ik werd opgenomen en één van de auto's ingedragen. Op het middendeel van het plein waren enige tientallen toeschouwers hier getuige van. Om te laten weten dat het niet om een zwarthandelaar ging stak ik mijn vuist omhoog. Bij de toeschouwers bleek ook een vrouw uit de Czaar Peterstraat, die mij kende. Dit had het gunstige gevolg, dat mijn arrestatie al dezelfde middag in mijn ouwe buurt bekend was, waar mijn vader en m'n zuster Saartje woonden.

Omstreeks half drie werd ik het beruchte gebouw in de Euterpe-straat binnengebracht. Ik werd in de gang voor de verhoorkamer nr. 32 op een stoel gezet, m'n rechterschoen in mijn zak en mijn gifpil achter mijn kiezen. Die gifpil, witte poeder in een glazen buisje, had ik enige maanden geleden1716VG Poster van Daan gekregen. De eerste tijd droeg ik dit laatste redmiddel in mijn broekzak. Maar met het verwisselen van een broek vergat ik die pil nog wel eens. Ergens in mei had ik Theo Sauer een klein zakje van stof laten maken. Sindsdien droeg ik dit met de pil aan een koordje onder mijn hemd. In de auto, op weg naar de Euterpestraat was het me gelukt, de pil ongemerkt in mijn mond te steken. Daar heeft ie vele uren, dan weer links en dan weer rechts achter m'n kiezen gezeten. Ik voelde me er sterk mee. Want mocht het onhoudbaar worden dan was het slechts een kwestie van slikken.
Bij fouillering vond met de 2 bootbiljetten, een briefje van 100 gulden en een levensmiddelenkaart. Geld en kaart waren bestemd geweest voor André. Het persoonsbewijs was op naam van Nils Staphorst. Ze namen aan dat dit vals was, hetgeen ik grif toegaf. Ik weigerde mijn naam te noemen. De bootkaartjes brachten hen op een verkeerd spoor. Ze dachten dat ik ergens in Gelderland woonde. Dat ontkende ik niet om de aandacht van Amsterdam af te leiden.

De verhoren verliepen van cynisch dreigend tot zeer innemend. Steeds 2 ondervragers, die van tijd tot tijd werden afgewisseld. Zo moest ik kennelijk de indruk krijgen, die en die zijn bruut en tot alle mishandelingen in staat. Dan afgewisseld door vriendelijke vaderlijke figuren, die het over de boeg gooiden van jij jonge kerel het gaat toch niet om jou. Als jij alleen je naam noemt kan ik er voor zorgen dat je vanavond weer vrij bent.
Het zal 's avonds tegen negen uur zijn geweest, dat ze het voor die dag wilden afronden. 'Goed', werd me gezegd, 'je noemt je naam niet? Wij hebben tijd en die weten we binnen 24 uur toch wel'.
Ik kreeg een bord met een nummer om mijn nek en er werden zo een aantal foto's van me genomen. 'Zo deze foto wordt morgen in de kranten afgedrukt'. Ik zou volgens de bijgaande tekst een bankbediende overvallen hebben. Een beloning van 10.000 gulden werd er als beloning aan toegevoegd, voor hen die inlichtingen konden geven, over achter deze foto schuilgaande persoon.

Zonder mijn naam te hebben genoemd en alle vragen over Goulooze genegeerd te hebben, werd ik 's avonds omstreeks 10 uur in de gevangenis Weteringschans afgeleverd. Daar werd ik door een buldog-Duitse-bewaker in ontvangst genomen. Hij bracht me naar cel 1 a en zwaaide met zijn gummiknuppel en zei: 'Zo aap, heb jij geen naam?, die slaan we er dan wel uit'. en begon me af te rossen. Tussendoor begon hij om mijn polsen en enkels ijzeren banden aan te brengen. In die bedrijven slikte ik mijn pil door.
Tenslotte werd ik op mijn rug op de brits gelegd en de ijzeren banden werden met bouten aan de brits bevestigd. Ik denk wel dat dit de meest onvergetelijke en gruwelijke nacht van mijn leven is geweest. Want mijn leven hield niet op. Ik heb die nacht geen oog dicht gedaan. Mijn hart voelde ik op vele plaatsen bonzen, maar het bleef doorkloppen. Er zijn die nacht heel wat gedachten door m'n hoofd gegaan en dan steeds weer: wanneer werkt die pil nou?

De volgende morgen werd het verhoor in de Euterpestraat voortgezet. Ik noemde mijn naam. Herr Kommissar Mund vroeg mij niets meer. Hij gaf zijn secretaresse opdracht het dossier van Lou Jansen (lid van de illegale leiding van de CPN, op 9 oktober 1943 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd, wm) op te halen. En daaruit las hij mij uitvoerig voor wie ik was en werd mijn doopceel gelicht van Leninschool '32-'35, Hulp aan Rot Spaniën '26-'39 tot en met mijn werk in de Gouloozegroep. En dan voel je je weerstand ondermijnd. Het wordt dan een spel van kat en muis. Zij schijnen alles te weten, waarbij je zelf van de buitenwereld volkomen geïsoleerd blijft.
De intensieve verhoren duurden drie weken. Iedere dag om 9 uur uit de cel en de rest van de dag in de Euterpestraat in een van de verhoorkamers of opgesloten in één van de cellen in het souterrain. Het voordeel dat ik iedere dag op transport ging was dat ik veelal kon waarnemen, wie zij nog meer in handen hadden gekregen. Deze waarnemingen versterkten mijn gemoedsrust niet.”

Co bezwijkt niet aan zijn gifpil. Hij komt via de gevangenis aan de Weteringschans in het Oranjehotel in Scheveningen terecht. Daar lacht het geluk hem op een gegeven moment toe.
“Het was tijdens het luchten dat een Nederlandse gevangenen-arts mij vroeg: 'Waarom loop je zo slecht?' Ik vertelde hem van de kogel in mijn voet en fantaseerde erbij dat men beloofd had, dat die operatief verwijderd zou worden. Deze arts heeft mij kennelijk op een lijst voor opname in een ziekenhuis geplaatst, want op dinsdag 24 augustus '43 werd ik uit de cel gehaald en moest in een auto plaatsnemen. We reden door Den Haag en werden tegen half drie in een bewaakte zaal van het ziekenhuis Zuidwal afgeleverd. Een verpleegster ontving me vriendelijk en vertelde dat er spoedig een bed voor me gereed zou zijn.

's Middags om 2 uur werd er door één van de bezoeksters een briefje van mij, bestemd voor Dina (Co’s vrouw, wm) met aanwijzingen, hoe zij er in zou kunnen slagen, zonder bezoekbewijs bij mij op bezoek kon komen. In het ziekenhuis lag ik met andere gevangenen op een speciale afdeling onder bewaking van 3 Nederlandse bewakers. Reeds de volgende dag slaagde Dina er in mij te bezoeken. En hiermede was de verbinding naar buiten hersteld. Ik kon haar, met de bewakers op afstand persoonlijk spreken en haar precies inlichten, waardoor zij zonder te groot risico naar het hoofdkwartier van de Gestapo op het binnenhof kon gaan, om een bezoekbewijs voor mij aan te vragen.”

Dick van der Meer, een lid van de Raad van Verzet die betrokken was bij de bevrijding van Co beschrijft wat er ondertussen achter de schermen gebeurde:
“Toen de mededeling doorkwam dat Co zich in het Ziekenhuis Zuidwal te Den Haag bevond stond onmiddellijk vast dat een poging gedaan moest worden om hem uit de handen van de SD te bevrijden. Ik herinner mij dat wij toen tegen elkaar zeiden: 'deze troef moet overtroefd worden'. In opdracht van Daan Goulooze was het eerste wat gedaan moest worden het opstellen van een plan de campagne, het was vanzelfsprekend dat Daan hierbij een belangrijk initiatief ontwikkelde.”

Hierover volgende keer meer.


© 2020 Willem Minderhout meer Willem Minderhout - meer "De wereldliteratuur roept" -
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
De ontsnapping van Co Dankaart (3) Willem Minderhout
1716VG CoDankaartIk de vorige Leunstoel schreef ik dat ik dankzij de memoires van Co Dankaart, die ik van zijn zoon Daan kreeg, ineens een zeer intiem beeld van de man kreeg, dat noch Harmsen noch Cornelissen in hun beschrijvingen van het communistisch verzet bieden.
Co begon zijn memoires te schrijven op 1 april 1980 in Calpe, een Spaans dorp in de buurt van Benidorm. “1 april 1980 (dit is geen aprilmop). Opgedragen aan m'n jongste kleinzoon Patrick André Croes (3), die me op 07-11-1979 twee schrijfbloks kado gaf voor mijn 67e verjaardag, aan m'n oudste kleinzoon Menno Victor Dankaart (5) en aan m'n kleindochter Marianne Mareva Dankaart (2).”
Dit is het begin van een min of meer chronologische terugblik op zijn leven, maar het begint met een beschrijving van ‘het schaftlokaal, de gesprekken en de schijthuizen’ van de werf van de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij, de latere NDSM, waar hij aan het eind van de twintiger jaren van de vorige eeuw actief werd in de Scheepsbouwcel van de Communistische Jeugdbeweging.  

Co’s ouders waren uit Zeeland naar Amsterdam getrokken waar zijn vader eerst als grondwerker bij de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal en daarna als havenarbeider zijn brood verdiende. De Dankaarts woonden in de Amsterdamse Czaar Peterbuurt, een arbeidersbuurt. Co beschrijft het leven daar zonder enige terughoudendheid. Lees bijvoorbeeld de beschrijving van de thuiskomst van zijn vader na een avondje stappen: ‘in de Czaar Peterstraat 36 aangekomen volgde dan het slotaccoord. Dat bestond uit gezang van Wannes: "Ik heb een meisie....", geïnterrumpeerd door Trien: "Wannes hou op". Het vervolg heb ik nooit mogen horen, het was waarschijnlijk een heel schuin liedje voor die dagen. Dan trok hij z'n schoenen uit en sodemieterde die met groot geweld door de kleine kamer. Daarop volgde dan het refrein dat bestond uit: Godsodemieterse klerekanker marinepestpokke...." (de rest ben ik vergeten). Daarop kroop hij met Trien in de bedstede, waarvan aan het voeteinde mijn bedstee grensde. Soms als ik niet direkt in slaap viel hoorde ik dan aan de andere zijde van het tussenschot: "Trien heb je geen zin?" -of veel gedraai en beweging... De volgende dag op zondagmorgen werden mijn moeder en ik dan door m'n vader gewekt met thee en beschuit op bed.”

Het hele verhaal zou eigenlijk integraal uitgegeven moeten worden. De memoires zijn een bron voor oneindig veel stukjes, dus wie weet wordt dit een Dankaart-feuilleton. Deze serie heet echter ‘de ontsnapping van Co Dankaart’, dus ik zal me daar nu toe beperken. In de vorige episode beschreef ik zijn arrestatie in Amsterdam en zijn ontsnapping uit het Zuidwalziekenhuis. De beschrijving die hij er zelf van geeft is echter vele malen
boeiender.
Voordat Co en Daan de Harderwijkboot zouden nemen heeft Co nog een afspraak met één van zijn medewerkers, André. André blijkt echter gearresteerd te zijn en te zijn doorgeslagen.
“Om half twee zat ik op mijn fiets bij de afrit van de Blauwbrug en had vandaar goed zicht op de halte van lijn 9, bij het speeltuinhek. Tegen vijf over half twee, zoals de klok van de bank op het Rembrandtsplein aanwees, fietste ik nog een keer het huizenblok rond. Weer bij de brug, nog geen André in zicht en rezen er bange vermoedens.
Op het moment dat ik besloot te vertrekken, zag ik tot mijn opluchting André, langs het hek komen aanwandelen. Zonder de omgeving verder te observeren reed ik hem tegemoet, stak op de fiets schuin de straat over en gaf hem een hand. Na een paar woorden tegen hem te hebben gezegd, stonden er 2 kerels achter me met een revolver in mijn rug. Zij waren aan de andere kant van de straat gelijk met André opgelopen.

André was 's morgen op zijn werk gearresteerd. Hij was kennelijk zeer spoedig na zijn arrestatie in een angstpsychose gebracht en fungeerde om half twee als lokvogel.
Wat ruim drie jaar zonder tegenslagen verlopen was, kwam hiermee in een duizelingen verwekkende draaikolk. Mijn hart voelde ik in mijn keel kloppen. De greep naar mijn revolver werd met de hand in m'n colbert geblokkeerd en de armen omgedraaid.
Dat het zolang goed was gegaan had ons ongetwijfeld overmoedig en onvoorzichtig gemaakt. Het was achteraf gezien natuurlijk geen overdaad geweest, als ik mij die dag door 1 of 2 gewapende schaduwen had laten volgen, b.v. door Klaas en P.E.D...- hád....hád....
Altijd weer als ik aan dit moment terug denk neem ik mijzelf de begane onvoorzichtigheid kwalijk. Wat een stommiteit om zo vlak voor onze geplande aftocht, de Gestapo dit succes in handen te spelen. Het zij zo.
Mijn fiets werd tegen het hek gezet. Naast André moest ik met de handen omhoog, langs het hek in de richting Jonas Daniël Meyerplein (politiepost), de 2 Gestapolieden, ieder met een revolver in onze rug, erachter.

Aan het eind van het hek ben ik weggerend met de schietende bewaker achter me. Mijn nadeel was dat dit deel van de Jodenbuurt uitgestorven was. Weg komen in het publiek was er niet bij. Het was voor mijn achtervolger een vrije onbelemmerde jacht. Deze jacht duurde toch nog verscheidene honderden meters. Vanaf het Waterlooplein, door de Lange Houtstraat, Korte Houtstraat arriveerde ik weer halverwege op het Waterlooplein, kreeg daar een schampschot in de linkerzij en tenslotte een kogel in de rechtervoet, waarna ik kwam te vallen en een loods werd binnengebracht. Vandaar werd ik na een half uur door een zestal Gestapolieden opgehaald.
Ik werd opgenomen en één van de auto's ingedragen. Op het middendeel van het plein waren enige tientallen toeschouwers hier getuige van. Om te laten weten dat het niet om een zwarthandelaar ging stak ik mijn vuist omhoog. Bij de toeschouwers bleek ook een vrouw uit de Czaar Peterstraat, die mij kende. Dit had het gunstige gevolg, dat mijn arrestatie al dezelfde middag in mijn ouwe buurt bekend was, waar mijn vader en m'n zuster Saartje woonden.

Omstreeks half drie werd ik het beruchte gebouw in de Euterpe-straat binnengebracht. Ik werd in de gang voor de verhoorkamer nr. 32 op een stoel gezet, m'n rechterschoen in mijn zak en mijn gifpil achter mijn kiezen. Die gifpil, witte poeder in een glazen buisje, had ik enige maanden geleden1716VG Poster van Daan gekregen. De eerste tijd droeg ik dit laatste redmiddel in mijn broekzak. Maar met het verwisselen van een broek vergat ik die pil nog wel eens. Ergens in mei had ik Theo Sauer een klein zakje van stof laten maken. Sindsdien droeg ik dit met de pil aan een koordje onder mijn hemd. In de auto, op weg naar de Euterpestraat was het me gelukt, de pil ongemerkt in mijn mond te steken. Daar heeft ie vele uren, dan weer links en dan weer rechts achter m'n kiezen gezeten. Ik voelde me er sterk mee. Want mocht het onhoudbaar worden dan was het slechts een kwestie van slikken.
Bij fouillering vond met de 2 bootbiljetten, een briefje van 100 gulden en een levensmiddelenkaart. Geld en kaart waren bestemd geweest voor André. Het persoonsbewijs was op naam van Nils Staphorst. Ze namen aan dat dit vals was, hetgeen ik grif toegaf. Ik weigerde mijn naam te noemen. De bootkaartjes brachten hen op een verkeerd spoor. Ze dachten dat ik ergens in Gelderland woonde. Dat ontkende ik niet om de aandacht van Amsterdam af te leiden.

De verhoren verliepen van cynisch dreigend tot zeer innemend. Steeds 2 ondervragers, die van tijd tot tijd werden afgewisseld. Zo moest ik kennelijk de indruk krijgen, die en die zijn bruut en tot alle mishandelingen in staat. Dan afgewisseld door vriendelijke vaderlijke figuren, die het over de boeg gooiden van jij jonge kerel het gaat toch niet om jou. Als jij alleen je naam noemt kan ik er voor zorgen dat je vanavond weer vrij bent.
Het zal 's avonds tegen negen uur zijn geweest, dat ze het voor die dag wilden afronden. 'Goed', werd me gezegd, 'je noemt je naam niet? Wij hebben tijd en die weten we binnen 24 uur toch wel'.
Ik kreeg een bord met een nummer om mijn nek en er werden zo een aantal foto's van me genomen. 'Zo deze foto wordt morgen in de kranten afgedrukt'. Ik zou volgens de bijgaande tekst een bankbediende overvallen hebben. Een beloning van 10.000 gulden werd er als beloning aan toegevoegd, voor hen die inlichtingen konden geven, over achter deze foto schuilgaande persoon.

Zonder mijn naam te hebben genoemd en alle vragen over Goulooze genegeerd te hebben, werd ik 's avonds omstreeks 10 uur in de gevangenis Weteringschans afgeleverd. Daar werd ik door een buldog-Duitse-bewaker in ontvangst genomen. Hij bracht me naar cel 1 a en zwaaide met zijn gummiknuppel en zei: 'Zo aap, heb jij geen naam?, die slaan we er dan wel uit'. en begon me af te rossen. Tussendoor begon hij om mijn polsen en enkels ijzeren banden aan te brengen. In die bedrijven slikte ik mijn pil door.
Tenslotte werd ik op mijn rug op de brits gelegd en de ijzeren banden werden met bouten aan de brits bevestigd. Ik denk wel dat dit de meest onvergetelijke en gruwelijke nacht van mijn leven is geweest. Want mijn leven hield niet op. Ik heb die nacht geen oog dicht gedaan. Mijn hart voelde ik op vele plaatsen bonzen, maar het bleef doorkloppen. Er zijn die nacht heel wat gedachten door m'n hoofd gegaan en dan steeds weer: wanneer werkt die pil nou?

De volgende morgen werd het verhoor in de Euterpestraat voortgezet. Ik noemde mijn naam. Herr Kommissar Mund vroeg mij niets meer. Hij gaf zijn secretaresse opdracht het dossier van Lou Jansen (lid van de illegale leiding van de CPN, op 9 oktober 1943 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd, wm) op te halen. En daaruit las hij mij uitvoerig voor wie ik was en werd mijn doopceel gelicht van Leninschool '32-'35, Hulp aan Rot Spaniën '26-'39 tot en met mijn werk in de Gouloozegroep. En dan voel je je weerstand ondermijnd. Het wordt dan een spel van kat en muis. Zij schijnen alles te weten, waarbij je zelf van de buitenwereld volkomen geïsoleerd blijft.
De intensieve verhoren duurden drie weken. Iedere dag om 9 uur uit de cel en de rest van de dag in de Euterpestraat in een van de verhoorkamers of opgesloten in één van de cellen in het souterrain. Het voordeel dat ik iedere dag op transport ging was dat ik veelal kon waarnemen, wie zij nog meer in handen hadden gekregen. Deze waarnemingen versterkten mijn gemoedsrust niet.”

Co bezwijkt niet aan zijn gifpil. Hij komt via de gevangenis aan de Weteringschans in het Oranjehotel in Scheveningen terecht. Daar lacht het geluk hem op een gegeven moment toe.
“Het was tijdens het luchten dat een Nederlandse gevangenen-arts mij vroeg: 'Waarom loop je zo slecht?' Ik vertelde hem van de kogel in mijn voet en fantaseerde erbij dat men beloofd had, dat die operatief verwijderd zou worden. Deze arts heeft mij kennelijk op een lijst voor opname in een ziekenhuis geplaatst, want op dinsdag 24 augustus '43 werd ik uit de cel gehaald en moest in een auto plaatsnemen. We reden door Den Haag en werden tegen half drie in een bewaakte zaal van het ziekenhuis Zuidwal afgeleverd. Een verpleegster ontving me vriendelijk en vertelde dat er spoedig een bed voor me gereed zou zijn.

's Middags om 2 uur werd er door één van de bezoeksters een briefje van mij, bestemd voor Dina (Co’s vrouw, wm) met aanwijzingen, hoe zij er in zou kunnen slagen, zonder bezoekbewijs bij mij op bezoek kon komen. In het ziekenhuis lag ik met andere gevangenen op een speciale afdeling onder bewaking van 3 Nederlandse bewakers. Reeds de volgende dag slaagde Dina er in mij te bezoeken. En hiermede was de verbinding naar buiten hersteld. Ik kon haar, met de bewakers op afstand persoonlijk spreken en haar precies inlichten, waardoor zij zonder te groot risico naar het hoofdkwartier van de Gestapo op het binnenhof kon gaan, om een bezoekbewijs voor mij aan te vragen.”

Dick van der Meer, een lid van de Raad van Verzet die betrokken was bij de bevrijding van Co beschrijft wat er ondertussen achter de schermen gebeurde:
“Toen de mededeling doorkwam dat Co zich in het Ziekenhuis Zuidwal te Den Haag bevond stond onmiddellijk vast dat een poging gedaan moest worden om hem uit de handen van de SD te bevrijden. Ik herinner mij dat wij toen tegen elkaar zeiden: 'deze troef moet overtroefd worden'. In opdracht van Daan Goulooze was het eerste wat gedaan moest worden het opstellen van een plan de campagne, het was vanzelfsprekend dat Daan hierbij een belangrijk initiatief ontwikkelde.”

Hierover volgende keer meer.
© 2020 Willem Minderhout
powered by CJ2