archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 20
Jaargang 17
1 oktober 2020
Nummer 1 verschijnt op
15 oktober 2020
Beschouwingen > Een rustig mens delen printen terug
Alexander Münninghoff, herinneringen (2) Wim Westerveld

1716BS StamhouderEn toen kwam dat boek, de grandioze autobiografie ‘De Stamhouder’ en was hij in alle opzichten helemaal boven Jan. In één klap beroemd en dat op zijn zeventigste. Hij genoot ervan en ik een beetje met hem. Het werd een zegetocht door heel het land. Overal dook hij op in bomvolle zaaltjes en boekwinkels om zijn verhaal te vertellen en zijn boek te signeren. Als hij in Rotterdam of omgeving was, zorgde ik ervoor dat ik erbij was. Op een keer was ik aan de late kant en Alexander was al aan het vertellen over zijn schaakpassie en de simultaanpartijen die hij tegen grootmeesters gespeeld had. Hij was terecht trots op zijn resultaten, maar vooral op de twee remises die hij tegen Karpov bereikt had.

En juist toen hij dát aan het vertellen was, kwam ik binnen. Waarop Alexander, royaal als hij was, zei: ‘Maar die tweede remise heb ik aan die meneer te danken die zojuist is binnengekomen.’ Die tweede keer, dat hij tegen Karpov speelde, stond ik achter Alexander. Karpov had met 1.e4 geopend en Alexander vroeg me: ‘Wat zal ik doen?’ ‘De Kerkhoff variant van het Spaans en ik zal je wel door de opening helpen’, antwoordde ik spontaan. ‘Doen we!’, zei hij zonder enige aarzeling, hoewel hij niets van die opening wist. Karpov reageerde niet op zijn scherpst en zwart kreeg comfortabel spel. Met strakke hand speelde Alexander zich vervolgens naar remise.

Vlak voor mijn pensionering klampte hij me aan; hij had nu de smaak helemaal te pakken en was bezig met nieuwe boeken. Eén daarvan zou moeten gaan over een kwestie waar ik misschien meer van wist. In de jaren negentig was Alexander directeur geworden van een instituut in St. Petersburg dat de culturele relatie tussen Nederland en Rusland moest bevorderen. In die tijd trad de rivier de Newa buiten zijn oevers en werd er veel van de kunst in de Hermitage beschadigd. Nederland, mijn ministerie, heeft toen financiële hulp en restauratie-expertise geboden, maar om de één of andere reden ging de hulpverlening buiten het instituut van Alexander om. Er werd een apart fonds gecreëerd en een mysterieuze Amerikaan heeft de hulp1716BS Hermitage toen in St Petersburg gecoördineerd. De man was al langer in dienst van het ministerie en er hing een waas van geheimzinnigheid om hem heen. Slechts éénmaal per jaar zagen we hem met zijn hondje op het ministerie verschijnen, als hij aan een hoge ambtenaar verslag kwam doen van zijn werkzaamheden. Blijkbaar was hij ‘geknipt’ voor die taak in St Petersburg.

Toen Alexander me hierover aansprak, lag die geschiedenis al vele jaren achter ons, maar hij was nog steeds kwaad dat hij toen gepasseerd was en hij wilde erover schrijven. Hij vertelde hoe hij destijds op een dag naar het kantoor van ‘die Amerikaan’ in St Petersburg gegaan was en had aangebeld. Er werd niet opengedaan. Hij had door het raam gekeken, maar er was niemand. Wel veel dure computers. Hij wist het nu zeker: dat Nederlandse geld was in de zakken van de Russische maffia verdwenen. En nu was zijn vraag: wie op het ministerie zou er meer van kunnen weten? Ik antwoordde dat de hoge ambtenaar, die ervoor verantwoordelijk was geweest, inmiddels was overleden. ‘Maar er is nog een ambtenaar van toen die er ook beslist van weet’, zei ik. ‘Kan ik hem ontmoeten?’, vroeg Alexander. ‘Jazeker, als je op het afscheid van mijn werk komt zal ik je aan hem voorstellen’, antwoordde ik.

En zo was Alexander bij mijn afscheid.  Mijn collega’s hadden bedacht dat ik een simultaan zou geven aan ambtenaren van het ministerie in de synagoge van Den Haag (zwaar bewapende militairen bij de ingang, dat had wel wat) en Alexander was tot mijn verrassing één van mijn tegenstanders. Het was een vreselijke opgave. Iedereen had zijn eigen schaakspel meegenomen, tot zakschaakspelletjes aan toe. Ik maakte een fout tegen Alexander en hij bood onmiddellijk remise aan. ‘Want het is jouw feestje’, zei hij lachend .
 
Naderhand heeft hij gesproken met de bewuste ambtenaar. Hij kwam daar later bij mij op terug met de woorden: ‘Die is tot weinig in staat en zeker niet tot criminele daden’. Hij heeft de zaak toen verder laten rusten.

----------
De plaatjes zijn geleverd door de schrijver


© 2020 Wim Westerveld meer Wim Westerveld - meer "Een rustig mens" -
Beschouwingen > Een rustig mens
Alexander Münninghoff, herinneringen (2) Wim Westerveld
1716BS StamhouderEn toen kwam dat boek, de grandioze autobiografie ‘De Stamhouder’ en was hij in alle opzichten helemaal boven Jan. In één klap beroemd en dat op zijn zeventigste. Hij genoot ervan en ik een beetje met hem. Het werd een zegetocht door heel het land. Overal dook hij op in bomvolle zaaltjes en boekwinkels om zijn verhaal te vertellen en zijn boek te signeren. Als hij in Rotterdam of omgeving was, zorgde ik ervoor dat ik erbij was. Op een keer was ik aan de late kant en Alexander was al aan het vertellen over zijn schaakpassie en de simultaanpartijen die hij tegen grootmeesters gespeeld had. Hij was terecht trots op zijn resultaten, maar vooral op de twee remises die hij tegen Karpov bereikt had.

En juist toen hij dát aan het vertellen was, kwam ik binnen. Waarop Alexander, royaal als hij was, zei: ‘Maar die tweede remise heb ik aan die meneer te danken die zojuist is binnengekomen.’ Die tweede keer, dat hij tegen Karpov speelde, stond ik achter Alexander. Karpov had met 1.e4 geopend en Alexander vroeg me: ‘Wat zal ik doen?’ ‘De Kerkhoff variant van het Spaans en ik zal je wel door de opening helpen’, antwoordde ik spontaan. ‘Doen we!’, zei hij zonder enige aarzeling, hoewel hij niets van die opening wist. Karpov reageerde niet op zijn scherpst en zwart kreeg comfortabel spel. Met strakke hand speelde Alexander zich vervolgens naar remise.

Vlak voor mijn pensionering klampte hij me aan; hij had nu de smaak helemaal te pakken en was bezig met nieuwe boeken. Eén daarvan zou moeten gaan over een kwestie waar ik misschien meer van wist. In de jaren negentig was Alexander directeur geworden van een instituut in St. Petersburg dat de culturele relatie tussen Nederland en Rusland moest bevorderen. In die tijd trad de rivier de Newa buiten zijn oevers en werd er veel van de kunst in de Hermitage beschadigd. Nederland, mijn ministerie, heeft toen financiële hulp en restauratie-expertise geboden, maar om de één of andere reden ging de hulpverlening buiten het instituut van Alexander om. Er werd een apart fonds gecreëerd en een mysterieuze Amerikaan heeft de hulp1716BS Hermitage toen in St Petersburg gecoördineerd. De man was al langer in dienst van het ministerie en er hing een waas van geheimzinnigheid om hem heen. Slechts éénmaal per jaar zagen we hem met zijn hondje op het ministerie verschijnen, als hij aan een hoge ambtenaar verslag kwam doen van zijn werkzaamheden. Blijkbaar was hij ‘geknipt’ voor die taak in St Petersburg.

Toen Alexander me hierover aansprak, lag die geschiedenis al vele jaren achter ons, maar hij was nog steeds kwaad dat hij toen gepasseerd was en hij wilde erover schrijven. Hij vertelde hoe hij destijds op een dag naar het kantoor van ‘die Amerikaan’ in St Petersburg gegaan was en had aangebeld. Er werd niet opengedaan. Hij had door het raam gekeken, maar er was niemand. Wel veel dure computers. Hij wist het nu zeker: dat Nederlandse geld was in de zakken van de Russische maffia verdwenen. En nu was zijn vraag: wie op het ministerie zou er meer van kunnen weten? Ik antwoordde dat de hoge ambtenaar, die ervoor verantwoordelijk was geweest, inmiddels was overleden. ‘Maar er is nog een ambtenaar van toen die er ook beslist van weet’, zei ik. ‘Kan ik hem ontmoeten?’, vroeg Alexander. ‘Jazeker, als je op het afscheid van mijn werk komt zal ik je aan hem voorstellen’, antwoordde ik.

En zo was Alexander bij mijn afscheid.  Mijn collega’s hadden bedacht dat ik een simultaan zou geven aan ambtenaren van het ministerie in de synagoge van Den Haag (zwaar bewapende militairen bij de ingang, dat had wel wat) en Alexander was tot mijn verrassing één van mijn tegenstanders. Het was een vreselijke opgave. Iedereen had zijn eigen schaakspel meegenomen, tot zakschaakspelletjes aan toe. Ik maakte een fout tegen Alexander en hij bood onmiddellijk remise aan. ‘Want het is jouw feestje’, zei hij lachend .
 
Naderhand heeft hij gesproken met de bewuste ambtenaar. Hij kwam daar later bij mij op terug met de woorden: ‘Die is tot weinig in staat en zeker niet tot criminele daden’. Hij heeft de zaak toen verder laten rusten.

----------
De plaatjes zijn geleverd door de schrijver
© 2020 Wim Westerveld
powered by CJ2