archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 4
Jaargang 17
28 november 2019
Nummer 5 verschijnt op
12 december 2019
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Democratie, kent u die uitdrukking? Eric Corsius

1107VG DemocratieAfgelopen zondag stond ik in het Rijksmuseum Twenthe oog in oog met die – enerzijds overweldigende, anderzijds zich niet makkelijk prijsgevende – doeken van de Vlaamse expressionist Constant Permeke (1886-1952). Er kwam al spoedig een associatie bij me op met de gedichten van Walt Whitman (1819-1892).
Tot dat laatste werd ik verleid door de in chocoladeletters aan de muur aangebrachte citaten – een uitvinding waarmee conservatoren en expositieregisseurs de aandacht en kijkrichting van de toeschouwer menen te moeten sturen. Uit deze teksten sprak het verlangen van de schilder, om zich te vereenzelvigen met het knoestige vissers- en boerenvolk van Vlaanderen en om zich in hun wereld onder te dompelen.

Ook de Amerikaan Whitman werd gedreven door het quasi-erotische verlangen, om te versmelten met ‘de gewone man en vrouw’ en om in de huid te kruipen van anderen. Als je zijn Song of Myself leest, kun je de beroemde uitspraak plaatsen van president Kennedy in Berlin in 1963 (“Ich bin ein Berliner!”) en begrijp je de identificatie van de Amerikanen met hun heldhaftige brandweermannen na ‘Nine Eleven’:

I am the hounded slave, I wince at the bite of the dogs, (...
I do not ask the wounded person how he feels, I myself become the wounded person, (...)
I am the mash’d fireman with breast-bone broken.


Eenmaal op het spoor gebracht van deze inhoudelijke parallel tussen Permeke en de veel oudere Whitman zie je ook gelijkenissen in stijl en vormentaal: het grote gebaar, het buiten de oevers treden, de vrijheid in de omgang met conventies, de sensualiteit etc.

Je zou bijna vergeten dat er ook veel verschillen zijn. Permeke lijkt veel minder universeel te zijn. Waar Whitman de mensheid van alle tijden en continenten omarmt en aan zijn dichtervleugels een kosmische spanwijdte geeft, kiest Permeke voor het kikkerperspectief op een willekeurige standplaats in het vlakke Vlaamse land of aan de Noordzeekust. Whitmans vereenzelviging met het mensdom heeft bovendien een uitdrukkelijk pantheïstische inspiratiebron. Ze vertoont zelfs messiaanse trekken – op het overmoedige en hoogmoedige af. Tenslotte is Whitman zeer expliciet in zijn politiseren: in zijn poëtische landschappen hangen democratie en wereldvrede altijd als een opgaande zon boven de horizon. Permeke is indirecter in dit opzicht. Een rustig mens, zeg maar.

***

Desondanks zouden Whitman en Permeke zich niet hebben verbaasd, om zichzelf in elkaars gezelschap aan te treffen. Iets vergelijkbaars geldt voor het koppel Whitman en Thomas Mann (1875-1955).

Mann, diep geworteld in de Duitse Romantiek en het daarbij horende flirten met duisternis, dood en autoritair nationalisme, Mann, diep doordrenkt ook met het parfum van het Dandyisme van rond de eeuwwisseling, welnu: deze Mann voelde intuïtief aan, dat hij in die verstikkende atmosfeer niet kon blijven hangen. Hij wilde, ja moest, de brug slaan naar de Verlichting en haar politieke kinderen: de democratie, de menselijke waardigheid, de mensenrechten – en dan liefst zonder daarbij restloos af te hoeven rekenen met datgene wat hem dierbaar was en waarmee was vergroeid.

In Whitman nu ontdekte Mann in de jaren twintig iemand die hem daarbij kon helpen, iemand die de euforie en het enthousiasme van de romantiek enerzijds verbond met de frisse wind van de westerse idealen anderzijds. Whitman kon hem helpen om invulling te geven aan het Goethiaanse begrip humaniteit, waarin volgens Mann het beste van twee werelden samenkwam: traditie, individualistische schoonheidscultus en levenskunst enerzijds en sociaal en zich politiek profilerend utopisme anderzijds. Whitman was romantiek, waar de Verlichting doorheen schemerde.

Met zijn sympathiebetuiging aan Whitman legde Mann in het begin van de jaren twintig zijn politieke kaarten op tafel. Er gaapte uiteraard een kloof tussen de kunstopvatting van Whitman en Mann. Mann moet bovendien hebben ervaren, dat de onverholen homoseksualiteit in de poëzie van Whitman hem niet alleen boeide, doch hem vooral ‘unheimlich’ voorkwam. De Duitse schrijver besefte echter, dat op dat moment in de Europese geschiedenis een tegenwicht nodig was tegen de ‘achterwaarts gerichte’ tendensen. Hij voelde de urgentie van een alternatieve richting en een alternatieve krachtbron voor de mobilisering van de massa. De gunstige wind stond dit keer uit het westen en kwam van gene zijde van de Atlantische Oceaan. De rest is geschiedenis.

***

Wie nu Whitman leest, komt soms van een koude kermis thuis. Wordt hij – zo vraag je je af – überhaupt nog veel gelezen buiten de esoterische kerk en buiten de kring van americanofielen en verzamelaars van homoliteratuur? Komt in zijn werk niet al datgene samen, wat ‘ons’ Europeanen tegenstaat in Amerika: de manische toesprakenretoriek, de staatkundige kwezelachtigheid, de overtrokken religieuze euforie? Ervaren we bij het lezen van de gedichten niet het zelfde vleugje achterdocht, dat we soms voelen bij het gekunstelde redenaarstalent en het voorgekookte charisma van Barack Obama, waarbij zelfs de grootste bewonderaars zich bij tijd en wijlen wat ongemakkelijk voelen?

Ik vermoed dat de vervreemding, die we bij Whitman ervaren, een parallel heeft in de vervreemding die ons bekruipt ten overstaan van de Amerikaanse verwevenheid van sociaal activisme, politiek en religie. Wij beleven dit niet zelden als een ongenietbaar, ja giftig mengsel – of in elk geval als een brouwsel met een vreemd bijsmaakje. Hoe dan ook is de mengverhouding van religie, maatschappelijk middenveld en politiek in de USA een heel andere dan de Europese – en dit heeft diepe wortels. Door alle uiterlijke overeenkomsten op het gebied van taal en cultuur, economie en religie lijken we dit vaak te vergeten – een vergetelheid die zich onder meer uit in de hardnekkige verbazing over de naïviteit van die Amerikanen, die maar niet willen seculariseren.

Whitman als pleitbezorger voor democratie en pacifisme: die komt er bij ons wellicht in. Maar wat moeten we met dat messianisme van de democratieminnaar Whitman? Is dat nog geloofwaardig? En ernstiger nog: is religie niet eerder een tijdbom onder democratie dan een energiebron? Maakt religie niet blind voor de realiteit? Is zij geen bron van ongeduld en intolerantie, van fanatisme en van een utopisme dat over lijken gaat - en vervolgens de offers ontkent?

***

Ergens, in een uithoek van zijn oeuvre, in een bijzin, staat bij Whitman het bewijs van het tegendeel. En ik denk dat het juist zijn religieuze inspiratie is geweest die hem deze tussenzin heeft doen opschrijven. De lofzang op de democratie als een natuurwonder in het gedicht 'Rise o days' wordt onderbroken door dit merkwaardige zinnetje, dat niet toevallig tussen haakjes staat:

(Yet a mournful wail and low sob I fancied I heard through the dark,
In a lull of the deafening confusion.)


Volgens mij is het niet ondanks, maar juist dankzij zijn messiaanse religiositeit, dat Whitman oog kon hebben voor de keerzijde van elk politiek ideaal, voor het feit dat het bereiken van dat ideaal bloed, zweet en tranen kost. Religie houdt het zicht op het ideaal vrij, maar houdt tevens altijd een kier open, waardoor we de eeuwige keerzijde kunnen zien. Religie laat zien wat normaliter tussen haakjes staat. Ze weet van offers.

Of ze daarvan het alleenvertoningsrecht heeft, is een andere kwestie.

**********************************
De tekening is van Renée van den Kerkhof
Illustratrice in opleiding: http://www.neetje.nl


© 2014 Eric Corsius meer Eric Corsius - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Democratie, kent u die uitdrukking? Eric Corsius
1107VG DemocratieAfgelopen zondag stond ik in het Rijksmuseum Twenthe oog in oog met die – enerzijds overweldigende, anderzijds zich niet makkelijk prijsgevende – doeken van de Vlaamse expressionist Constant Permeke (1886-1952). Er kwam al spoedig een associatie bij me op met de gedichten van Walt Whitman (1819-1892).
Tot dat laatste werd ik verleid door de in chocoladeletters aan de muur aangebrachte citaten – een uitvinding waarmee conservatoren en expositieregisseurs de aandacht en kijkrichting van de toeschouwer menen te moeten sturen. Uit deze teksten sprak het verlangen van de schilder, om zich te vereenzelvigen met het knoestige vissers- en boerenvolk van Vlaanderen en om zich in hun wereld onder te dompelen.

Ook de Amerikaan Whitman werd gedreven door het quasi-erotische verlangen, om te versmelten met ‘de gewone man en vrouw’ en om in de huid te kruipen van anderen. Als je zijn Song of Myself leest, kun je de beroemde uitspraak plaatsen van president Kennedy in Berlin in 1963 (“Ich bin ein Berliner!”) en begrijp je de identificatie van de Amerikanen met hun heldhaftige brandweermannen na ‘Nine Eleven’:

I am the hounded slave, I wince at the bite of the dogs, (...
I do not ask the wounded person how he feels, I myself become the wounded person, (...)
I am the mash’d fireman with breast-bone broken.


Eenmaal op het spoor gebracht van deze inhoudelijke parallel tussen Permeke en de veel oudere Whitman zie je ook gelijkenissen in stijl en vormentaal: het grote gebaar, het buiten de oevers treden, de vrijheid in de omgang met conventies, de sensualiteit etc.

Je zou bijna vergeten dat er ook veel verschillen zijn. Permeke lijkt veel minder universeel te zijn. Waar Whitman de mensheid van alle tijden en continenten omarmt en aan zijn dichtervleugels een kosmische spanwijdte geeft, kiest Permeke voor het kikkerperspectief op een willekeurige standplaats in het vlakke Vlaamse land of aan de Noordzeekust. Whitmans vereenzelviging met het mensdom heeft bovendien een uitdrukkelijk pantheïstische inspiratiebron. Ze vertoont zelfs messiaanse trekken – op het overmoedige en hoogmoedige af. Tenslotte is Whitman zeer expliciet in zijn politiseren: in zijn poëtische landschappen hangen democratie en wereldvrede altijd als een opgaande zon boven de horizon. Permeke is indirecter in dit opzicht. Een rustig mens, zeg maar.

***

Desondanks zouden Whitman en Permeke zich niet hebben verbaasd, om zichzelf in elkaars gezelschap aan te treffen. Iets vergelijkbaars geldt voor het koppel Whitman en Thomas Mann (1875-1955).

Mann, diep geworteld in de Duitse Romantiek en het daarbij horende flirten met duisternis, dood en autoritair nationalisme, Mann, diep doordrenkt ook met het parfum van het Dandyisme van rond de eeuwwisseling, welnu: deze Mann voelde intuïtief aan, dat hij in die verstikkende atmosfeer niet kon blijven hangen. Hij wilde, ja moest, de brug slaan naar de Verlichting en haar politieke kinderen: de democratie, de menselijke waardigheid, de mensenrechten – en dan liefst zonder daarbij restloos af te hoeven rekenen met datgene wat hem dierbaar was en waarmee was vergroeid.

In Whitman nu ontdekte Mann in de jaren twintig iemand die hem daarbij kon helpen, iemand die de euforie en het enthousiasme van de romantiek enerzijds verbond met de frisse wind van de westerse idealen anderzijds. Whitman kon hem helpen om invulling te geven aan het Goethiaanse begrip humaniteit, waarin volgens Mann het beste van twee werelden samenkwam: traditie, individualistische schoonheidscultus en levenskunst enerzijds en sociaal en zich politiek profilerend utopisme anderzijds. Whitman was romantiek, waar de Verlichting doorheen schemerde.

Met zijn sympathiebetuiging aan Whitman legde Mann in het begin van de jaren twintig zijn politieke kaarten op tafel. Er gaapte uiteraard een kloof tussen de kunstopvatting van Whitman en Mann. Mann moet bovendien hebben ervaren, dat de onverholen homoseksualiteit in de poëzie van Whitman hem niet alleen boeide, doch hem vooral ‘unheimlich’ voorkwam. De Duitse schrijver besefte echter, dat op dat moment in de Europese geschiedenis een tegenwicht nodig was tegen de ‘achterwaarts gerichte’ tendensen. Hij voelde de urgentie van een alternatieve richting en een alternatieve krachtbron voor de mobilisering van de massa. De gunstige wind stond dit keer uit het westen en kwam van gene zijde van de Atlantische Oceaan. De rest is geschiedenis.

***

Wie nu Whitman leest, komt soms van een koude kermis thuis. Wordt hij – zo vraag je je af – überhaupt nog veel gelezen buiten de esoterische kerk en buiten de kring van americanofielen en verzamelaars van homoliteratuur? Komt in zijn werk niet al datgene samen, wat ‘ons’ Europeanen tegenstaat in Amerika: de manische toesprakenretoriek, de staatkundige kwezelachtigheid, de overtrokken religieuze euforie? Ervaren we bij het lezen van de gedichten niet het zelfde vleugje achterdocht, dat we soms voelen bij het gekunstelde redenaarstalent en het voorgekookte charisma van Barack Obama, waarbij zelfs de grootste bewonderaars zich bij tijd en wijlen wat ongemakkelijk voelen?

Ik vermoed dat de vervreemding, die we bij Whitman ervaren, een parallel heeft in de vervreemding die ons bekruipt ten overstaan van de Amerikaanse verwevenheid van sociaal activisme, politiek en religie. Wij beleven dit niet zelden als een ongenietbaar, ja giftig mengsel – of in elk geval als een brouwsel met een vreemd bijsmaakje. Hoe dan ook is de mengverhouding van religie, maatschappelijk middenveld en politiek in de USA een heel andere dan de Europese – en dit heeft diepe wortels. Door alle uiterlijke overeenkomsten op het gebied van taal en cultuur, economie en religie lijken we dit vaak te vergeten – een vergetelheid die zich onder meer uit in de hardnekkige verbazing over de naïviteit van die Amerikanen, die maar niet willen seculariseren.

Whitman als pleitbezorger voor democratie en pacifisme: die komt er bij ons wellicht in. Maar wat moeten we met dat messianisme van de democratieminnaar Whitman? Is dat nog geloofwaardig? En ernstiger nog: is religie niet eerder een tijdbom onder democratie dan een energiebron? Maakt religie niet blind voor de realiteit? Is zij geen bron van ongeduld en intolerantie, van fanatisme en van een utopisme dat over lijken gaat - en vervolgens de offers ontkent?

***

Ergens, in een uithoek van zijn oeuvre, in een bijzin, staat bij Whitman het bewijs van het tegendeel. En ik denk dat het juist zijn religieuze inspiratie is geweest die hem deze tussenzin heeft doen opschrijven. De lofzang op de democratie als een natuurwonder in het gedicht 'Rise o days' wordt onderbroken door dit merkwaardige zinnetje, dat niet toevallig tussen haakjes staat:

(Yet a mournful wail and low sob I fancied I heard through the dark,
In a lull of the deafening confusion.)


Volgens mij is het niet ondanks, maar juist dankzij zijn messiaanse religiositeit, dat Whitman oog kon hebben voor de keerzijde van elk politiek ideaal, voor het feit dat het bereiken van dat ideaal bloed, zweet en tranen kost. Religie houdt het zicht op het ideaal vrij, maar houdt tevens altijd een kier open, waardoor we de eeuwige keerzijde kunnen zien. Religie laat zien wat normaliter tussen haakjes staat. Ze weet van offers.

Of ze daarvan het alleenvertoningsrecht heeft, is een andere kwestie.

**********************************
De tekening is van Renée van den Kerkhof
Illustratrice in opleiding: http://www.neetje.nl
© 2014 Eric Corsius
powered by CJ2