archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 19
Jaargang 18
16 september 2021
Nummer 20 verschijnt op
30 september 2021
Beschouwingen > Het leven zelf delen printen terug
Waarom ik dit nooit zal zeggen: Eric Corsius

1118BS Ceci‘Ik ben een christen.’

Onlangs voegden mensen aan hun twitterprofiel een raadselachtige één-ogige smiley toe. Uit navraag bleek het te gaan om de ‘noen’, de beginletter van het Arabische woord voor christen: nasrani. De moorddadige IS in het Midden-Oosten heeft namelijk de huiveringwekkende gewoonte om de huizen van christenen met deze letter te merken en daarmee de gewelddadige dood van de bewoners aan te kondigen of uit te lokken. Uit solidariteit met de door de IS bedreigde christenen in het Midden-Oosten koppelen twitteraars nu het noen-teken aan hun profiel.

De dragers van de nasrani-twibbon kwalificeren het schrikbewind van de IS vaak als doelgerichte christenvervolging. Dit doen ze indirect door het nasrani-teken met geuzenfierheid te hanteren als een soort nieuwe gele davidsster, maar ook uitdrukkelijk en rechtstreeks. Christenvervolging zou echter betekenen dat de christenen de belangrijkste of zelfs exclusieve slachtoffers zijn van de IS. Feitelijk echter zijn anders denkende en anders levende moslims minstens even sterk het doelwit, om nog maar te zwijgen over Yezidi’s en Joden.

Bovendien suggereert het woord vervolging dat christenen door de IS worden opgejaagd en uitgeroeid omdat en voorzover ze christenen zijn, zoals het geval was in de ontstaanstijd van het christendom, toen de aanhangers ervan werden gevreesd en gehaat vanwege datgene wat zij waren en omdat dit bedreigend was voor gevestigde identiteiten (hetgeen overigens mutatis mutandis ook van toepassing was en is op het antisemitisme). Als de christenen nu opgejaagd wild zijn van ISIS, is dat echter niet omdat ze ‘iets zijn’ maar omdat ze iets ‘niet zijn’. Christenen worden niet opgejaagd, bedreigd en afgeslacht in de hoedanigheid van christenen, doch als andersdenkenden. De ISIS-beulen haten niet de christenen als zodanig, doch worden geleid door een blinde haat jegens alles wat niet is als zijzelf: christenen, foute moslims, Yezidi’s, Joden etc.

De gruwelen van de IS doen al met al niet een beroep op mijn solidariteit met een omschreven religieuze groep, doch op universele menselijke solidariteit met al degenen die worden verdreven en uitgeroeid omdat ze niet in een bepaald straatje passen. Blijkbaar werkt het echter niet bij iedereen zo en zoeken velen voor hun betrokkenheid graag een doelwit waarmee ze zich kunnen identificeren. Op zich is dat nog niet verwerpelijk. Het zij iedereen gegund om in de eerste plaats solidair te zijn met mensen met wie ze een levensopvatting of een cultuur delen. Er zijn zoveel gruwelen op de wereld, dat het in de praktijk eigenlijk niet uitmaakt waar je begint met je solidariteit. Als het gevoel van herkenning helpt om je betrokken te voelen en in actie te komen, dan is dat alleen maar mooi meegenomen. En het is hopelijk een begin van een bredere, meer anonieme vorm van solidariteit.

Daarachter doemt echter meteen weer een andere vraag op. Waarom is het aantrekkelijk om je eigen identiteit te enten op een verzameling van groepskenmerken? Voegt dat wel iets toe? Reduceer je daarmee niet het complexe en gelaagde verschijnsel identiteit? Zijn er geen risico’s aan verbonden als je identiteit samenvloeit met een logo – en als dit dan richtinggevend en motiverend wordt voor je handelen?

Bovendien is het woord ‘christen’ als aanduiding van identiteit extra ambivalent. Het is probleemloos om dit woord – bij voorkeur in de meervoudsvorm – te hanteren als een historische of sociologische categorie, zoals ik hierboven deed. Het is een ander hoofdstuk als het een statement wordt, als het woord wordt gebruikt om jezelf ermee te identificeren en ‘neer te zetten’. Als je een visje op je auto plakt, een kruisje om je nek draagt, een noen-teken op je ava plaatst of uitdrukkelijk zegt ‘ik ben een christen’ begeef je je in een naar mijn smaak hachelijk taalspel. Als bekentenis is de uitspraak ‘ik ben christen’ een spel met vuur.

Christen-zijn is namelijk niet een identiteit die je kunt aannemen, je kunt toe-eigenen of op jezelf kunt toepassen. Het is iets wat je overkomt. In de Bijbelse en theologische traditie is het een vloek of een uitverkiezing, een roeping of een doodsvonnis, een ongewild merkteken of een stigma. De uitspraak ‘Ik ben christen’ is in zijn letterlijkheid zelfs geladen door een specifieke context: het was de schuldbekentenis-tegen-wil-of-dank van de martelaren voordat ze voor de leeuwen werden geworpen. Ik zal dus nooit zeggen ‘ik ben christen’. Niet uit lafheid, maar uit schroom en omdat ik het als statement overmoedig vind en pretentieus. Ik vind de uitspraak te direct en te absoluut.

Bovendien: zelfs als ik naar eer en geweten zou kunnen zeggen christen te zijn, zou ik het nog indiscreet vinden om het ook daadwerkelijk uit te spreken en wel vanuit hetzelfde gevoel van al te grote directheid en indiscreetheid dat ik onderga bij de impertinente vragen die in onze exhibitionistische cultuur door goeroes op ons worden afgevuurd: vragen naar onze hartstocht of ons geheim, onze droom of onze gedrevenheid, onze bezieling of onze bronnen. Bedgeheimen deel je toch ook niet in het openbaar?

Misschien komen mijn opvattingen in dezen voort uit het feit, dat ik ben opgegroeid in een volkskerkelijk milieu waarin je met halve woorden kunt volstaan en waarin je gedoseerd en indirect communiceert over je ‘identiteit’. Je zegt niet ‘ik ben christen’, doch ‘ik ben katholiek’ of ‘rooms’ of ‘protestants’ of ‘artikel zo en zo veel’. Je bedient je in dit verband niet van een theologisch, doch van een sociologisch vocabulaire, van de taal van burgerlijke stand. Je duidt jezelf aan met woorden die zichzelf niet al te serieus nemen, woorden waarin de oorspronkelijke lading en betekenis is afgekoeld en gestold, zodat je er je handen niet aan brandt.

Je wordt hier meer mens van. Met dit bescheiden en lichtelijk ironische vocabulaire relativeer je jezelf en schep je de mogelijkheid voor echte communicatie. Het voorbehoud in het spreken over je zelf maakt immers plaats voor de ander en schept ruimte voor een zakelijk gesprek over het wezenlijke en urgente: de humaniteit.

*****************************
De tekening is van Annemiek Meijer



© 2014 Eric Corsius meer Eric Corsius - meer "Het leven zelf"
Beschouwingen > Het leven zelf
Waarom ik dit nooit zal zeggen: Eric Corsius
1118BS Ceci‘Ik ben een christen.’

Onlangs voegden mensen aan hun twitterprofiel een raadselachtige één-ogige smiley toe. Uit navraag bleek het te gaan om de ‘noen’, de beginletter van het Arabische woord voor christen: nasrani. De moorddadige IS in het Midden-Oosten heeft namelijk de huiveringwekkende gewoonte om de huizen van christenen met deze letter te merken en daarmee de gewelddadige dood van de bewoners aan te kondigen of uit te lokken. Uit solidariteit met de door de IS bedreigde christenen in het Midden-Oosten koppelen twitteraars nu het noen-teken aan hun profiel.

De dragers van de nasrani-twibbon kwalificeren het schrikbewind van de IS vaak als doelgerichte christenvervolging. Dit doen ze indirect door het nasrani-teken met geuzenfierheid te hanteren als een soort nieuwe gele davidsster, maar ook uitdrukkelijk en rechtstreeks. Christenvervolging zou echter betekenen dat de christenen de belangrijkste of zelfs exclusieve slachtoffers zijn van de IS. Feitelijk echter zijn anders denkende en anders levende moslims minstens even sterk het doelwit, om nog maar te zwijgen over Yezidi’s en Joden.

Bovendien suggereert het woord vervolging dat christenen door de IS worden opgejaagd en uitgeroeid omdat en voorzover ze christenen zijn, zoals het geval was in de ontstaanstijd van het christendom, toen de aanhangers ervan werden gevreesd en gehaat vanwege datgene wat zij waren en omdat dit bedreigend was voor gevestigde identiteiten (hetgeen overigens mutatis mutandis ook van toepassing was en is op het antisemitisme). Als de christenen nu opgejaagd wild zijn van ISIS, is dat echter niet omdat ze ‘iets zijn’ maar omdat ze iets ‘niet zijn’. Christenen worden niet opgejaagd, bedreigd en afgeslacht in de hoedanigheid van christenen, doch als andersdenkenden. De ISIS-beulen haten niet de christenen als zodanig, doch worden geleid door een blinde haat jegens alles wat niet is als zijzelf: christenen, foute moslims, Yezidi’s, Joden etc.

De gruwelen van de IS doen al met al niet een beroep op mijn solidariteit met een omschreven religieuze groep, doch op universele menselijke solidariteit met al degenen die worden verdreven en uitgeroeid omdat ze niet in een bepaald straatje passen. Blijkbaar werkt het echter niet bij iedereen zo en zoeken velen voor hun betrokkenheid graag een doelwit waarmee ze zich kunnen identificeren. Op zich is dat nog niet verwerpelijk. Het zij iedereen gegund om in de eerste plaats solidair te zijn met mensen met wie ze een levensopvatting of een cultuur delen. Er zijn zoveel gruwelen op de wereld, dat het in de praktijk eigenlijk niet uitmaakt waar je begint met je solidariteit. Als het gevoel van herkenning helpt om je betrokken te voelen en in actie te komen, dan is dat alleen maar mooi meegenomen. En het is hopelijk een begin van een bredere, meer anonieme vorm van solidariteit.

Daarachter doemt echter meteen weer een andere vraag op. Waarom is het aantrekkelijk om je eigen identiteit te enten op een verzameling van groepskenmerken? Voegt dat wel iets toe? Reduceer je daarmee niet het complexe en gelaagde verschijnsel identiteit? Zijn er geen risico’s aan verbonden als je identiteit samenvloeit met een logo – en als dit dan richtinggevend en motiverend wordt voor je handelen?

Bovendien is het woord ‘christen’ als aanduiding van identiteit extra ambivalent. Het is probleemloos om dit woord – bij voorkeur in de meervoudsvorm – te hanteren als een historische of sociologische categorie, zoals ik hierboven deed. Het is een ander hoofdstuk als het een statement wordt, als het woord wordt gebruikt om jezelf ermee te identificeren en ‘neer te zetten’. Als je een visje op je auto plakt, een kruisje om je nek draagt, een noen-teken op je ava plaatst of uitdrukkelijk zegt ‘ik ben een christen’ begeef je je in een naar mijn smaak hachelijk taalspel. Als bekentenis is de uitspraak ‘ik ben christen’ een spel met vuur.

Christen-zijn is namelijk niet een identiteit die je kunt aannemen, je kunt toe-eigenen of op jezelf kunt toepassen. Het is iets wat je overkomt. In de Bijbelse en theologische traditie is het een vloek of een uitverkiezing, een roeping of een doodsvonnis, een ongewild merkteken of een stigma. De uitspraak ‘Ik ben christen’ is in zijn letterlijkheid zelfs geladen door een specifieke context: het was de schuldbekentenis-tegen-wil-of-dank van de martelaren voordat ze voor de leeuwen werden geworpen. Ik zal dus nooit zeggen ‘ik ben christen’. Niet uit lafheid, maar uit schroom en omdat ik het als statement overmoedig vind en pretentieus. Ik vind de uitspraak te direct en te absoluut.

Bovendien: zelfs als ik naar eer en geweten zou kunnen zeggen christen te zijn, zou ik het nog indiscreet vinden om het ook daadwerkelijk uit te spreken en wel vanuit hetzelfde gevoel van al te grote directheid en indiscreetheid dat ik onderga bij de impertinente vragen die in onze exhibitionistische cultuur door goeroes op ons worden afgevuurd: vragen naar onze hartstocht of ons geheim, onze droom of onze gedrevenheid, onze bezieling of onze bronnen. Bedgeheimen deel je toch ook niet in het openbaar?

Misschien komen mijn opvattingen in dezen voort uit het feit, dat ik ben opgegroeid in een volkskerkelijk milieu waarin je met halve woorden kunt volstaan en waarin je gedoseerd en indirect communiceert over je ‘identiteit’. Je zegt niet ‘ik ben christen’, doch ‘ik ben katholiek’ of ‘rooms’ of ‘protestants’ of ‘artikel zo en zo veel’. Je bedient je in dit verband niet van een theologisch, doch van een sociologisch vocabulaire, van de taal van burgerlijke stand. Je duidt jezelf aan met woorden die zichzelf niet al te serieus nemen, woorden waarin de oorspronkelijke lading en betekenis is afgekoeld en gestold, zodat je er je handen niet aan brandt.

Je wordt hier meer mens van. Met dit bescheiden en lichtelijk ironische vocabulaire relativeer je jezelf en schep je de mogelijkheid voor echte communicatie. Het voorbehoud in het spreken over je zelf maakt immers plaats voor de ander en schept ruimte voor een zakelijk gesprek over het wezenlijke en urgente: de humaniteit.

*****************************
De tekening is van Annemiek Meijer

© 2014 Eric Corsius
powered by CJ2