archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 9
Jaargang 18
25 februari 2021
Nummer 10 verschijnt op
11 maart 2021
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Omdat haar fiets daar stond Thomas van der Steen

1808BS FietsVeel columnisten, talkshowgasten, psychologen, sociologen, burgemeesters en commissarissen van politie hebben er al van alles en nog wat over gezegd: de avondklokrellen. Nu ik nog.

De eerste keer dat ik politie zag optreden tegen demonstranten (op tv, zwart-wit) was in 1966. Het waren de zogenaamde Telegraafrellen en die beelden maakten enorm veel indruk op de 8-jarige Thomas. De oprukkende meute, wolken traangas, omgeduwde en brandende vrachtwagens, blaffende honden die wél beten, zwiepende wapenstokken en vooral de door de Amsterdamse straten scheurende motoren met zijspan. In 1968 heerste de kladderadatsch wereldwijd.

Iedere avond was het bal op het NTS-journaal. In Parijs kwam het in mei bijna tot een heuse revolutie toen studenten en arbeiders gearmd optrokken tegen het establishment. In Praag ratelden Russische tanks door de straten. Overal in de wereld, vooral in de VS, werd gedemonstreerd tegen de Vietnamoorlog. Vredelievende hippies met bloemen in het haar werden meedogenloos neergeknuppeld door politie, later zelfs door soldaten. In Mexico-stad werd met scherp geschoten en honderden demonstranten verloren het leven. Mijn sympathie lag onverdeeld bij demonstranten, waar ze dan ook tegen waren. Bij geüniformeerd geweld kookte mijn bloed, ik was 10.

Dinsdag 19 augustus 1980 was ik in Amsterdam. In aanloop naar een studie geschiedenis (in de knop geknakt) had ik mij gestort op de introductiedagen. Om me door de stad te bewegen had ik een fiets van een vriendin geleend. ‘Uiterlijk dinsdag terug’, schreeuwde Joke mij nog na. Nu was het dinsdag en haar fiets stond verlaten tegen een zijmuur van het station, ik moest ‘m halen.
Onderweg naar Centraal stopte de tram op de Dam. ‘Rellen met die krakers, ik mag en ga niet verder’, zei de conducteur. Via de Nieuwendijk liep ik verder maar al in de bocht zag ik honderden ruggen. Onmiskenbaar ruggen van krakersvolk: gescheurde jassen met anarchistentekens, overal veiligheidsspelden en hanekammen in alle kleuren.

Ik vond hun muziek lelijk, hun meisjes ook, de graffiti gruwelijk en het ongebreidelde drugsgebruik kwalijk. Maar hun strijd tegen huisjesmelkers en projectontwikkelaars had mijn zegen. Ik glipte naar voren en tegenover de meute krakers stond op dertig meter een cordon ME’ers. De krakers schreeuwden leuzen waar vaak speculatie en fascisme in voorkwamen. De sfeer was dreigend maar de afstand tussen beide partijen bleef gelijk. Ik liep langs de rand van niemandsland naar voren om op de flank van het peloton over de brug naar het station te lopen. Want dat ik geen kraker was, dat zag je zo. Op twee meter van de agenten streden de lucht van angst en adrenaline om voorrang. ‘Oprotten, oprotten!’, werd er gebruld, ik was al weg.

De Martelaarsgracht stond ramvol krakers en via een steeg kwam ik op het Damrak terecht. Daar heerste betrekkelijke rust want er was geen verkeer en het station gebarricadeerd. Uit het niets kwamen vanaf de Wallen plukjes jongens de brede straat op lopen. Typische Amsterdamse straatschoffies, zeker geen krakers, en ontegenzeggelijk maatjes van elkaar. Een paar begonnen stenen uit de straat te trekken en op te stapelen terwijl anderen prutsten aan de staande, metalen vuilnisbakken.

Vanaf de Dam kwamen ME-busjes onze richting op. Ongetwijfeld om hun collega’s op de Prins Hendrikkade te versterken. Vuilnisbakken en stenen vlogen door de lucht en verbrijzelden de ruiten van de busjes. Een vuilnisbak doorboorde een zijruit en raakte een agent. Bloed stroomde over zijn wang. Het plotselinge geweld verbijsterde me, vooral de militaire discipline van de relschoppers. Aangetrokken door het kabaal stroomde uit alle steegjes jeugd toe, nu ook krakers. ME’ers rolden uit de busjes en vormden een door de groepscommandant bijeen geschreeuwde linie. Drie agenten stapten naar voren, knielden en schoten in een boog traangasgranaten af. De agenten rukten langzaam op en in een oogwenk was de chaos compleet. Er werd gerend, gegild, gestruikeld en gebloed. Juist nu bleven de straatjongens rustig en gooiden zonder ophouden stenen richting ME. Ik dacht de rook wel aan te kunnen met mijn T-shirt voor mijn neus, maar de impact van traangas was extreem. Hoesten, proesten tot en met kotsen in de gracht. Pas bij Maison de Bonneterie kwam ik op adem.

De avondklokrellen schokten en verbaasden velen, maar mij niet. Altijd wacht het schorriemorrie in de coulissen op een kans.

------
Het plaatje is van Freek de VriesLentsch


© 2021 Thomas van der Steen meer Thomas van der Steen - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Omdat haar fiets daar stond Thomas van der Steen
1808BS FietsVeel columnisten, talkshowgasten, psychologen, sociologen, burgemeesters en commissarissen van politie hebben er al van alles en nog wat over gezegd: de avondklokrellen. Nu ik nog.

De eerste keer dat ik politie zag optreden tegen demonstranten (op tv, zwart-wit) was in 1966. Het waren de zogenaamde Telegraafrellen en die beelden maakten enorm veel indruk op de 8-jarige Thomas. De oprukkende meute, wolken traangas, omgeduwde en brandende vrachtwagens, blaffende honden die wél beten, zwiepende wapenstokken en vooral de door de Amsterdamse straten scheurende motoren met zijspan. In 1968 heerste de kladderadatsch wereldwijd.

Iedere avond was het bal op het NTS-journaal. In Parijs kwam het in mei bijna tot een heuse revolutie toen studenten en arbeiders gearmd optrokken tegen het establishment. In Praag ratelden Russische tanks door de straten. Overal in de wereld, vooral in de VS, werd gedemonstreerd tegen de Vietnamoorlog. Vredelievende hippies met bloemen in het haar werden meedogenloos neergeknuppeld door politie, later zelfs door soldaten. In Mexico-stad werd met scherp geschoten en honderden demonstranten verloren het leven. Mijn sympathie lag onverdeeld bij demonstranten, waar ze dan ook tegen waren. Bij geüniformeerd geweld kookte mijn bloed, ik was 10.

Dinsdag 19 augustus 1980 was ik in Amsterdam. In aanloop naar een studie geschiedenis (in de knop geknakt) had ik mij gestort op de introductiedagen. Om me door de stad te bewegen had ik een fiets van een vriendin geleend. ‘Uiterlijk dinsdag terug’, schreeuwde Joke mij nog na. Nu was het dinsdag en haar fiets stond verlaten tegen een zijmuur van het station, ik moest ‘m halen.
Onderweg naar Centraal stopte de tram op de Dam. ‘Rellen met die krakers, ik mag en ga niet verder’, zei de conducteur. Via de Nieuwendijk liep ik verder maar al in de bocht zag ik honderden ruggen. Onmiskenbaar ruggen van krakersvolk: gescheurde jassen met anarchistentekens, overal veiligheidsspelden en hanekammen in alle kleuren.

Ik vond hun muziek lelijk, hun meisjes ook, de graffiti gruwelijk en het ongebreidelde drugsgebruik kwalijk. Maar hun strijd tegen huisjesmelkers en projectontwikkelaars had mijn zegen. Ik glipte naar voren en tegenover de meute krakers stond op dertig meter een cordon ME’ers. De krakers schreeuwden leuzen waar vaak speculatie en fascisme in voorkwamen. De sfeer was dreigend maar de afstand tussen beide partijen bleef gelijk. Ik liep langs de rand van niemandsland naar voren om op de flank van het peloton over de brug naar het station te lopen. Want dat ik geen kraker was, dat zag je zo. Op twee meter van de agenten streden de lucht van angst en adrenaline om voorrang. ‘Oprotten, oprotten!’, werd er gebruld, ik was al weg.

De Martelaarsgracht stond ramvol krakers en via een steeg kwam ik op het Damrak terecht. Daar heerste betrekkelijke rust want er was geen verkeer en het station gebarricadeerd. Uit het niets kwamen vanaf de Wallen plukjes jongens de brede straat op lopen. Typische Amsterdamse straatschoffies, zeker geen krakers, en ontegenzeggelijk maatjes van elkaar. Een paar begonnen stenen uit de straat te trekken en op te stapelen terwijl anderen prutsten aan de staande, metalen vuilnisbakken.

Vanaf de Dam kwamen ME-busjes onze richting op. Ongetwijfeld om hun collega’s op de Prins Hendrikkade te versterken. Vuilnisbakken en stenen vlogen door de lucht en verbrijzelden de ruiten van de busjes. Een vuilnisbak doorboorde een zijruit en raakte een agent. Bloed stroomde over zijn wang. Het plotselinge geweld verbijsterde me, vooral de militaire discipline van de relschoppers. Aangetrokken door het kabaal stroomde uit alle steegjes jeugd toe, nu ook krakers. ME’ers rolden uit de busjes en vormden een door de groepscommandant bijeen geschreeuwde linie. Drie agenten stapten naar voren, knielden en schoten in een boog traangasgranaten af. De agenten rukten langzaam op en in een oogwenk was de chaos compleet. Er werd gerend, gegild, gestruikeld en gebloed. Juist nu bleven de straatjongens rustig en gooiden zonder ophouden stenen richting ME. Ik dacht de rook wel aan te kunnen met mijn T-shirt voor mijn neus, maar de impact van traangas was extreem. Hoesten, proesten tot en met kotsen in de gracht. Pas bij Maison de Bonneterie kwam ik op adem.

De avondklokrellen schokten en verbaasden velen, maar mij niet. Altijd wacht het schorriemorrie in de coulissen op een kans.

------
Het plaatje is van Freek de VriesLentsch
© 2021 Thomas van der Steen
powered by CJ2