archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 19
Jaargang 14
14 september 2017
Nummer 20 verschijnt op
28 september 2017
Beschouwingen > Het zijn maar woorden delen printen terug
Eufemismen Arie de Jong

1419BS EufemismeHet is een genot om een originele formulering te horen, bijvoorbeeld als iemand de waarheid te hard vindt en dan een fraaie omschrijving geeft. Zoals in de Tweede Kamer de mores is dat je niet iemand ervan mag beschuldigen leugens te vertellen. Het is dan fraai als iemand iets zegt als: ‘De minister begeeft zich in een gebied dat niet geheel met waarheid te omschrijven valt,’ of: ‘Niet iedereen zal deze bewering als waarheidsgetrouw kenschetsen,’ of: ‘Als ik deze bewering zou doen, keek ik niet vreemd op als men mij een leugenaar zou noemen’.

Eufemismen zijn van alle tijden, ze komen op en ze verdwijnen. Een halve eeuw geleden was je er erg aan toe als ze om je heen gingen fluisteren dat je ‘K’ had. Soms werd het niet eens verteld aan degene die het had! Ging iedereen zeggen tegen de zieke dat het wel goed zou komen of andere zogenaamd geruststellende mededelingen.
Tegenwoordig wordt niet alleen gemeld dat iemand kanker heeft, hij of zij laat dat zelf graag weten. Met nauwkeurige omschrijving van de aard van de kanker en meestal ook een mededeling over de levensverwachting. In de verste verte is van een eufemisme geen sprake meer.
Vooral hoogwaardigheidsbekleders laten ons delen in hun ellende, benauwd als ze moeten zijn dat er te veel achter hun rug om geroddeld wordt of dat ze zelfs wordt verweten hun problemen te verzwijgen. Blijkbaar is kanker geen zaak meer van privacy.

Heel anders gaat het met de benaming van mensen die zwakbegaafd zijn, of bij wie een draadje los is. Die eerste categorie werd vroeger ‘debiel’ genoemd, de tweede ‘gek’. Wie gek was kon worden opgesloten in een gekkenhuis, al heette dat toen ook alleen zo in de volksmond, want ‘dolhuis’ was eerst mooier, daarna werd dat krankzinnigengesticht, waar dan ook geen gekken zaten maar krankzinnigen.
Debiel kan niet meer, hoewel het een kort en helder begrip is. Het zijn ‘mensen met een beperking’ geworden. Of nog ‘gekker’, zo leer ik van mijn echtgenote die als vrijwilliger haar best doet bij de begeleiding: ‘cliënten’.

Mijn haren gaan recht overeind staan bij dat woord. Vanuit de professionele begeleiders en vrijwilligers kunnen mensen met een (geestelijke) beperking in bepaalde opzichten worden ervaren als ‘cliënt’, maar om hen in algemene zin zo aan te duiden is onzinnig. Het helpt niet dat ik mijn echtgenote daarvan probeer te overtuigen. Als ze iemand op straat ziet die duidelijk een beperking heeft, zegt ze toch altijd ‘cliënt’.
Zo mag je ook niet meer van een ‘invalide’ spreken, dat werd eerst een gehandicapte en vervolgens ook iemand ‘met een beperking’. Mijn zoon vindt dat je die onzinnigheid nog wel wat mag opvoeren en moet gaan spreken over ‘iemand met een kans’.

Een van de ergste eufemismen, in mijn beleving dan, ontwikkelde zich ongeveer twintig jaar geleden en betreft de toelating van een student tot verdere studie na het eerste jaar of de eerste twee jaren. Met afgrijzen schrijf ik die term nu neer: het ‘bindend studieadvies’.
Ik hoorde die term voor het eerst uit de mond van Lammert Leertouwer, toen rector magnificus van de Leidse Universiteit, die hierin voorop liep. Het beleid van het College van Bestuur was, in mijn woorden, de Leidse Universiteit tot ‘het gymnasium onder de Nederlandse universiteiten’ te verheffen. Om te maken dat de kwaliteit van de doctoraalstudenten (je moet nu om een onzinnige reden spreken van masterstudenten) zou stijgen, werd van het studieadvies dat toen al werd gegeven een ‘bindend studieadvies’ gemaakt. Waarom vind ik die terminologie zo erg? Simpel. Wat een advies is, kan nooit bindend zijn. Door de term advies te laten staan, is een eufemisme geboren. Het gaat gewoon om een toelatingsnorm. En als je daar niet aan voldoet, dan mag je niet verder.

Ik zou zeggen, leg uw oor te luisteren en bemerk hoe veel eufemismen er zijn. Van het piepie doen van een kleuter tot het slaapmutsje van lieden die graag een borrel (of meer daarvan) drinken voor het naar bed gaan.

© 2017 Arie de Jong meer Arie de Jong - meer "Het zijn maar woorden" -
Beschouwingen > Het zijn maar woorden
Eufemismen Arie de Jong
1419BS EufemismeHet is een genot om een originele formulering te horen, bijvoorbeeld als iemand de waarheid te hard vindt en dan een fraaie omschrijving geeft. Zoals in de Tweede Kamer de mores is dat je niet iemand ervan mag beschuldigen leugens te vertellen. Het is dan fraai als iemand iets zegt als: ‘De minister begeeft zich in een gebied dat niet geheel met waarheid te omschrijven valt,’ of: ‘Niet iedereen zal deze bewering als waarheidsgetrouw kenschetsen,’ of: ‘Als ik deze bewering zou doen, keek ik niet vreemd op als men mij een leugenaar zou noemen’.

Eufemismen zijn van alle tijden, ze komen op en ze verdwijnen. Een halve eeuw geleden was je er erg aan toe als ze om je heen gingen fluisteren dat je ‘K’ had. Soms werd het niet eens verteld aan degene die het had! Ging iedereen zeggen tegen de zieke dat het wel goed zou komen of andere zogenaamd geruststellende mededelingen.
Tegenwoordig wordt niet alleen gemeld dat iemand kanker heeft, hij of zij laat dat zelf graag weten. Met nauwkeurige omschrijving van de aard van de kanker en meestal ook een mededeling over de levensverwachting. In de verste verte is van een eufemisme geen sprake meer.
Vooral hoogwaardigheidsbekleders laten ons delen in hun ellende, benauwd als ze moeten zijn dat er te veel achter hun rug om geroddeld wordt of dat ze zelfs wordt verweten hun problemen te verzwijgen. Blijkbaar is kanker geen zaak meer van privacy.

Heel anders gaat het met de benaming van mensen die zwakbegaafd zijn, of bij wie een draadje los is. Die eerste categorie werd vroeger ‘debiel’ genoemd, de tweede ‘gek’. Wie gek was kon worden opgesloten in een gekkenhuis, al heette dat toen ook alleen zo in de volksmond, want ‘dolhuis’ was eerst mooier, daarna werd dat krankzinnigengesticht, waar dan ook geen gekken zaten maar krankzinnigen.
Debiel kan niet meer, hoewel het een kort en helder begrip is. Het zijn ‘mensen met een beperking’ geworden. Of nog ‘gekker’, zo leer ik van mijn echtgenote die als vrijwilliger haar best doet bij de begeleiding: ‘cliënten’.

Mijn haren gaan recht overeind staan bij dat woord. Vanuit de professionele begeleiders en vrijwilligers kunnen mensen met een (geestelijke) beperking in bepaalde opzichten worden ervaren als ‘cliënt’, maar om hen in algemene zin zo aan te duiden is onzinnig. Het helpt niet dat ik mijn echtgenote daarvan probeer te overtuigen. Als ze iemand op straat ziet die duidelijk een beperking heeft, zegt ze toch altijd ‘cliënt’.
Zo mag je ook niet meer van een ‘invalide’ spreken, dat werd eerst een gehandicapte en vervolgens ook iemand ‘met een beperking’. Mijn zoon vindt dat je die onzinnigheid nog wel wat mag opvoeren en moet gaan spreken over ‘iemand met een kans’.

Een van de ergste eufemismen, in mijn beleving dan, ontwikkelde zich ongeveer twintig jaar geleden en betreft de toelating van een student tot verdere studie na het eerste jaar of de eerste twee jaren. Met afgrijzen schrijf ik die term nu neer: het ‘bindend studieadvies’.
Ik hoorde die term voor het eerst uit de mond van Lammert Leertouwer, toen rector magnificus van de Leidse Universiteit, die hierin voorop liep. Het beleid van het College van Bestuur was, in mijn woorden, de Leidse Universiteit tot ‘het gymnasium onder de Nederlandse universiteiten’ te verheffen. Om te maken dat de kwaliteit van de doctoraalstudenten (je moet nu om een onzinnige reden spreken van masterstudenten) zou stijgen, werd van het studieadvies dat toen al werd gegeven een ‘bindend studieadvies’ gemaakt. Waarom vind ik die terminologie zo erg? Simpel. Wat een advies is, kan nooit bindend zijn. Door de term advies te laten staan, is een eufemisme geboren. Het gaat gewoon om een toelatingsnorm. En als je daar niet aan voldoet, dan mag je niet verder.

Ik zou zeggen, leg uw oor te luisteren en bemerk hoe veel eufemismen er zijn. Van het piepie doen van een kleuter tot het slaapmutsje van lieden die graag een borrel (of meer daarvan) drinken voor het naar bed gaan.
© 2017 Arie de Jong
powered by CJ2