Nummer 19
Jaargang 7
9 september 2010
Beschouwingen > In de polder print dit artikel sluit venster
Etnisch tegen wil en dank Carlo van Praag

0719BS Vlag
‘Ik ben geboure en getouge in Leie en daar ben ik trots op’.
Spreek de r op zijn Engels uit en aspireer de letter t, dan heb je het!.

Hoe vaak heb ik niet mensen zichzelf op deze manier horen aankondigen in de algemene ledenvergadering van de wijkvereniging, in gemeentelijke inspraakgroepen en gewoon in het café. En altijd die instemmende reactie van de omgeving. Nooit iemand die zegt dat de locatie van je wiegje in Leiden, of in welke stad dan ook, wel een bijzonder armetierige bron van zelfrespect vertegenwoordigt. Je hebt er immers niets voor hoeven te doen. Het is toch geen prestatie om ergens, waar dan ook, geboren en opgevoed te zijn!

Laten we evenwel maar niet te pinnig zijn. Waarschijnlijk is de zelfintroductie van deze Leidenaar niet meer dan een manier van zeggen dat hij hart voor de stad heeft.
Bovendien vind ik het moeilijk om aan te geven waar de grens ligt tussen geldige en ongeldige bronnen van trots. Mag ik bij voorbeeld wel of niet trots zijn op de prestaties van het Nederlandse elftal? Ook hieraan draag ik persoonlijk niets bij, maar ik maak wel deel uit van een collectiviteit (de Nederlandse samenleving) die een prestatie levert in de vorm van een elftal dat de finale van het wereldkampioenschap haalde. Straalt een deel daarvan niet op mij, als lid van die samenleving, af? En zou ik me niet mogen identificeren met onze glorieuze oranjehemden?
Natuurlijk wel, maar het blijft een identificatie tegen beter weten in. Rationeel is zij in mijn geval zeker niet. Met mijn beduchtheid voor geluidsoverlast was ik immers meer gebaat bij een zo snel mogelijke uitschakeling van ons team. Elke nieuwe zege van de ploeg bracht meer lawaai met zich: televisieschermen op straat, toeterende auto’s na afloop, evenementen, collectieve dronkenschap en als laatste aanwinst een Afrikaanse toeter die het imbecielenfestijn, genaamd voetbaltoernooi zo passend opluisterde.

Get ready for the sound of the 2010 World Cup... the 127- decibel vuvuzela, set to deafen fans at the tournament. If you thought the soundtrack to the World Cup would be the chanting of England fans and a spot of cheering and whistling, you’re in for a shock. Prepare your ears for the 3ft long, 127-decibel ‘vuvuzela’ – a £2 plastic trumpet which will provide a deafening background to the tournament. It is louder than a chainsaw, noisier than a lawnmower and even more ear-splitting than a referee’s whistle and it could damage your hearing in as little as 15 minutes’ (uit de internetkrant ‘Mail on Line’).

Maar met al mijn afschuw voor die collectieve verdwazing keek ik toch naar de wedstrijden van het Nederlands elftal. Dat zit hem in mijn Nederlandse identiteit en in mijn, met de rest van de mensheid gedeelde, behoefte aan identificatie, met wat dan ook. Ergens bij willen horen, een bovenpersoonlijke bron van trots willen aanboren. Een behoefte aan spanning ook! Bij de neutrale toeschouwer slaat de verveling, zeker bij de aanschouwing van het huidige topvoetbal, snel toe.

Ik voel mij Nederlander en mijn identificatie gaat zelfs zover, dat ik op 5 mei de vlag uitsteek, vrijwel als enige in de buurt. Ik ben er niet trots op dat ik Nederlander ben, omdat dat, zoals eerder gezegd, niet mijn verdienste is, maar als ik in het buitenland iemand zou ontmoeten die ons land omlaag haalt (wat eigenlijk nooit gebeurt), zou ik toch in mijn niet bestaande trots gekrenkt zijn. Het bloed kruipt blijkbaar waar het niet gaan kan. Het Nederlanderschap is een rustige identiteit, een sluimerende identiteit eigenlijk, die alleen in specifieke situaties ontwaakt. In het dagelijkse leven zijn andere identiteiten van veel meer belang: ik ben man, gehuwd, gepensioneerd, grootvader, NRC-lezer en nog een aantal dingen. Juist omdat het Nederlanderschap zo’n rustige identiteit is, denken veel mensen dat het niets inhoudt. Zij hebben een Nederlands paspoort, maar: ‘dat zegt mij niets; ik ben eerder Limburger, Rotterdammer, Europeaan, wereldburger’ of vul maar in. Zo lang het maar geen Nederlander is!

Er zijn ook identiteiten die de drager daarvan meer in beslag nemen. Nemen wij het geval van de etnische minderheden waarvan Nederland er intussen vele tientallen kent. Je zult niet veel Turken tegenkomen die hun etnische identiteit zo gretig relativeren als de eerder aangehaalde Nederlander. De meeste Turken hebben, los van de vaak ook bestaande band met Nederland, een sterk gevoel van toebehoren tot de Turkse gemeenschap. Zij zijn vaak trots op hun Turkse afkomst, onderhouden de band met groepsgenoten, trouwen onderling en koesteren hun cultureel erfgoed (althans wat daar van over is). Zij zijn zich daarnaast bewust van de vooroordelen die jegens hen of jegens moslims in het algemeen leven, hetgeen bij niet weinigen de neiging oproept om zich nog sterker met de groep te identificeren en zich tegen de Nederlandse samenleving af te zetten. Hun etnische identiteit is, met andere woorden, een vitale kracht met aanzienlijke sociale en psychologische consequenties; geen identiteit zoals de Nederlandse die sterke prikkels van buitenaf nodig heeft om uit zijn sluimer te ontwaken.

Zoals de Turkse identiteit zijn er vele. Het gaat vaak om migranten of hun nakomelingen afkomstig uit landen die in cultureel opzicht nogal sterk van Nederland verschillen. Al zouden zij willen, zij kunnen hun etnische identiteit niet afleggen. Zij worden dagelijks met hun neus op de feiten gedrukt, alleen al doordat zij het Nederlands vaak niet of in onvoldoende mate beheersen, zelfs in de tweede generatie. Hun godsdienst, hun tradities, hun opvattingen over goed en kwaad botsen vaak op de omringende Nederlandse cultuur (hoewel het verschil door iemand als Wilders nogal gemakkelijk wordt overdreven). Een objectief bestaande culturele afstand laat zich niet in een paar jaar, vaak niet eens in een paar generaties, overbruggen. De meeste leden van zulke groepen zijn daarop ook niet uit. Zij willen niet assimileren, maar slechts een comfortabel bestaan opbouwen in de nieuwe samenleving en verder zichzelf blijven. Uitzonderingen voorbehouden! Elke groep telt assimilanten die niets liever willen dan opgaan in de omringende maatschappij. Je hoort ze meestal niet. Ze hebben geen voormannen, zoals hun groepsgenoten die etnisch willen blijven. Ze banen zich hun weg geruisloos. Mijn sympathie hebben ze!

Er zijn aan de andere kant juist medeburgers die veel drukte maken over een etnische afkomst die er al lang niet meer toe doet. Daarover een volgende maal!
 
**********************************
Meer Leunstoel- illustraties van Lools Art op:


© 2010 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "In de polder" - reageer
Beschouwingen > In de polder
Etnisch tegen wil en dank Carlo van Praag
0719BS Vlag
‘Ik ben geboure en getouge in Leie en daar ben ik trots op’.
Spreek de r op zijn Engels uit en aspireer de letter t, dan heb je het!.

Hoe vaak heb ik niet mensen zichzelf op deze manier horen aankondigen in de algemene ledenvergadering van de wijkvereniging, in gemeentelijke inspraakgroepen en gewoon in het café. En altijd die instemmende reactie van de omgeving. Nooit iemand die zegt dat de locatie van je wiegje in Leiden, of in welke stad dan ook, wel een bijzonder armetierige bron van zelfrespect vertegenwoordigt. Je hebt er immers niets voor hoeven te doen. Het is toch geen prestatie om ergens, waar dan ook, geboren en opgevoed te zijn!

Laten we evenwel maar niet te pinnig zijn. Waarschijnlijk is de zelfintroductie van deze Leidenaar niet meer dan een manier van zeggen dat hij hart voor de stad heeft.
Bovendien vind ik het moeilijk om aan te geven waar de grens ligt tussen geldige en ongeldige bronnen van trots. Mag ik bij voorbeeld wel of niet trots zijn op de prestaties van het Nederlandse elftal? Ook hieraan draag ik persoonlijk niets bij, maar ik maak wel deel uit van een collectiviteit (de Nederlandse samenleving) die een prestatie levert in de vorm van een elftal dat de finale van het wereldkampioenschap haalde. Straalt een deel daarvan niet op mij, als lid van die samenleving, af? En zou ik me niet mogen identificeren met onze glorieuze oranjehemden?
Natuurlijk wel, maar het blijft een identificatie tegen beter weten in. Rationeel is zij in mijn geval zeker niet. Met mijn beduchtheid voor geluidsoverlast was ik immers meer gebaat bij een zo snel mogelijke uitschakeling van ons team. Elke nieuwe zege van de ploeg bracht meer lawaai met zich: televisieschermen op straat, toeterende auto’s na afloop, evenementen, collectieve dronkenschap en als laatste aanwinst een Afrikaanse toeter die het imbecielenfestijn, genaamd voetbaltoernooi zo passend opluisterde.

Get ready for the sound of the 2010 World Cup... the 127- decibel vuvuzela, set to deafen fans at the tournament. If you thought the soundtrack to the World Cup would be the chanting of England fans and a spot of cheering and whistling, you’re in for a shock. Prepare your ears for the 3ft long, 127-decibel ‘vuvuzela’ – a £2 plastic trumpet which will provide a deafening background to the tournament. It is louder than a chainsaw, noisier than a lawnmower and even more ear-splitting than a referee’s whistle and it could damage your hearing in as little as 15 minutes’ (uit de internetkrant ‘Mail on Line’).

Maar met al mijn afschuw voor die collectieve verdwazing keek ik toch naar de wedstrijden van het Nederlands elftal. Dat zit hem in mijn Nederlandse identiteit en in mijn, met de rest van de mensheid gedeelde, behoefte aan identificatie, met wat dan ook. Ergens bij willen horen, een bovenpersoonlijke bron van trots willen aanboren. Een behoefte aan spanning ook! Bij de neutrale toeschouwer slaat de verveling, zeker bij de aanschouwing van het huidige topvoetbal, snel toe.

Ik voel mij Nederlander en mijn identificatie gaat zelfs zover, dat ik op 5 mei de vlag uitsteek, vrijwel als enige in de buurt. Ik ben er niet trots op dat ik Nederlander ben, omdat dat, zoals eerder gezegd, niet mijn verdienste is, maar als ik in het buitenland iemand zou ontmoeten die ons land omlaag haalt (wat eigenlijk nooit gebeurt), zou ik toch in mijn niet bestaande trots gekrenkt zijn. Het bloed kruipt blijkbaar waar het niet gaan kan. Het Nederlanderschap is een rustige identiteit, een sluimerende identiteit eigenlijk, die alleen in specifieke situaties ontwaakt. In het dagelijkse leven zijn andere identiteiten van veel meer belang: ik ben man, gehuwd, gepensioneerd, grootvader, NRC-lezer en nog een aantal dingen. Juist omdat het Nederlanderschap zo’n rustige identiteit is, denken veel mensen dat het niets inhoudt. Zij hebben een Nederlands paspoort, maar: ‘dat zegt mij niets; ik ben eerder Limburger, Rotterdammer, Europeaan, wereldburger’ of vul maar in. Zo lang het maar geen Nederlander is!

Er zijn ook identiteiten die de drager daarvan meer in beslag nemen. Nemen wij het geval van de etnische minderheden waarvan Nederland er intussen vele tientallen kent. Je zult niet veel Turken tegenkomen die hun etnische identiteit zo gretig relativeren als de eerder aangehaalde Nederlander. De meeste Turken hebben, los van de vaak ook bestaande band met Nederland, een sterk gevoel van toebehoren tot de Turkse gemeenschap. Zij zijn vaak trots op hun Turkse afkomst, onderhouden de band met groepsgenoten, trouwen onderling en koesteren hun cultureel erfgoed (althans wat daar van over is). Zij zijn zich daarnaast bewust van de vooroordelen die jegens hen of jegens moslims in het algemeen leven, hetgeen bij niet weinigen de neiging oproept om zich nog sterker met de groep te identificeren en zich tegen de Nederlandse samenleving af te zetten. Hun etnische identiteit is, met andere woorden, een vitale kracht met aanzienlijke sociale en psychologische consequenties; geen identiteit zoals de Nederlandse die sterke prikkels van buitenaf nodig heeft om uit zijn sluimer te ontwaken.

Zoals de Turkse identiteit zijn er vele. Het gaat vaak om migranten of hun nakomelingen afkomstig uit landen die in cultureel opzicht nogal sterk van Nederland verschillen. Al zouden zij willen, zij kunnen hun etnische identiteit niet afleggen. Zij worden dagelijks met hun neus op de feiten gedrukt, alleen al doordat zij het Nederlands vaak niet of in onvoldoende mate beheersen, zelfs in de tweede generatie. Hun godsdienst, hun tradities, hun opvattingen over goed en kwaad botsen vaak op de omringende Nederlandse cultuur (hoewel het verschil door iemand als Wilders nogal gemakkelijk wordt overdreven). Een objectief bestaande culturele afstand laat zich niet in een paar jaar, vaak niet eens in een paar generaties, overbruggen. De meeste leden van zulke groepen zijn daarop ook niet uit. Zij willen niet assimileren, maar slechts een comfortabel bestaan opbouwen in de nieuwe samenleving en verder zichzelf blijven. Uitzonderingen voorbehouden! Elke groep telt assimilanten die niets liever willen dan opgaan in de omringende maatschappij. Je hoort ze meestal niet. Ze hebben geen voormannen, zoals hun groepsgenoten die etnisch willen blijven. Ze banen zich hun weg geruisloos. Mijn sympathie hebben ze!

Er zijn aan de andere kant juist medeburgers die veel drukte maken over een etnische afkomst die er al lang niet meer toe doet. Daarover een volgende maal!
 
**********************************
Meer Leunstoel- illustraties van Lools Art op:
© 2010 Carlo van Praag