archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > Het leven zelf delen printen terug
Mijn leven als demograaf Carlo van Praag

0001 BS Carlo
Ik ben lange tijd verbonden geweest aan het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Als ik dat vroeger aan de mensen meedeelde (desgevraagd, want uit mijzelf begon ik nooit over mijn werk), stuitte ik op een welwillende, maar niet van veel herkenning getuigende reactie. Men begreep, na enige verdere toelichting, dat ik mooi vast werk had in overheidsdienst en daarmee kon het onderwerp, naar genoegen van mijn gesprekspartner en mijzelf, worden afgesloten. Tegenwoordig doet de naam SCP bij menigeen een bel rinkelen. Is dat niet het instituut van Paul Schnabel?

Onder de enkele dozijnen wetenschappelijk medewerkers die het SCP telde, was ook een demograaf. Dat is iemand die (volgens een van de gangbare definities) de ontwikkelingen in omvang, samenstelling en ruimtelijke verdeling van de bevolking bestudeert. Toen deze huisdemograaf in 1992 vertrok, was er geen opvolger. Alle medewerkers deden voortaan hun eigen demografie. Maar was er in een rapport, zeg over de allochtonen, de ouderen, de jeugd, de vrouwen of welke zielige groep dan ook, een demografisch hoofdstuk nodig, dan werd ik nogal eens tot het schrijven daarvan uitgenodigd, bij gebrek aan beter, want ik heb op het punt van de demografie nauwelijks een opleiding genoten. Maar er was geen kunst aan. De Maandstatistiek van de bevolking van het CBS bevatte een overvloed aan materiaal over geboorte, sterfte, trouwen, scheiden, immigratie, emigratie en nog veel meer en ik hoefde daaruit slechts een passende selectie te maken. Met de komst van Statline, de interactieve database van het CBS in het midden van de jaren negentig werd het werk nog comfortabeler. Je kon via het internet contact leggen met dit prachtige gegevensfonds, daaruit je eigen tabellen samenstellen en die vervolgens exporteren naar de tekst van het rapport in wording. De grootste uitdaging was gelegen in een nette vormgeving van deze data; niet in de productie daarvan.

Maar misschien doe ik mijzelf tekort. Behalve demografische inleidingen tot andermans rapport, heb ik mij op het SCP in mijn eigenlijke rol als allochtonenonderzoeker ook verdiept in de ruimtelijke segregatie van bevolkingsgroepen en daartoe de nodige maten ingevoerd en berekend. Ik zie tot mijn genoegen dat het SCP in zijn allochtonenrapportages (die niet meer zo mogen heten, want de term allochtonen zou denigrerend zijn) de door mij aangevangen tijdreeksen nog steeds vervolgt, zodat wij weten dat de statistische ontmoetingskans van Turken en Marokkanen met hun eigen groep nog steeds toeneemt, terwijl die ontmoetingskans met de autochtone bevolking daalt. Wellicht is dat één van de redenen waarom ook de feitelijke ontmoetingsfrequentie van deze allochtone groepen met de autochtonen achterblijft bij de verwachtingen (SCP, Jaarrapport Integratie 2009).

En nu ik er goed over nadenk heb ik al in 1980 de helpende hand geboden bij enkele heuse bevolkingsprognoses van allochtone groepen in Nederland. De toen nog wel aanwezige huisdemograaf deed het rekenwerk met behulp van een tafelmodelcomputer die nochtans vrij omvangrijk was en die in de taal ‘basic’ geprogrammeerd werd. Een druk heen en weer spoelend cassettebandje bood enig zicht op de bezigheden van het apparaat. De resultaten van de berekeningen konden nauwelijks van het minuscule beeldscherm worden afgelezen, maar dienden te worden geprint.

De allochtonenprognose was pionierswerk en het resultaat trok de aandacht van de buitenwereld. Het onthaal was niet overal positief. Vooral in kringen van minderhedenonderzoekers vond men de prognose die een forse groei van de Turkse en Marokkaanse bevolkingsgroepen liet zien, nodeloos alarmerend. Twee van die onderzoekers, Rath en Schuster, constateerden in 1999 triomfantelijk dat het aantal Turken en Marokkanen helemaal niet zo hard groeide en dat het SCP de prognose na twee jaar al moest herzien. Welnu, het moest niet, maar wij hebben het tot mijn spijt wel gedaan. Inderdaad zaten wij met onze prognose van 1980 te hoog, maar de prognose van 1982 zat juist weer te laag. Merkwaardig dat Rath en Schuster deze tweede prognose niet opnemen in hun zwartboek van gelogenstrafte voorspellingen over de allochtonen. Die tweede prognose was blijkbaar niet alarmerend genoeg om op de korrel te nemen. Ik kan me er nu niet meer over opwinden; destijds wel! Het artikel van Rath en Schuster dateert zoals gezegd uit 1999. Het aantal Turken was inmiddels gegroeid tot 300.000 en het aantal Marokkanen beliep 252.000, aantallen die natuurlijk ook bij onze beide criticasters bekend waren. Maar hadden wij toentertijd dergelijke aantallen voorspeld, dan waren wij eerst recht van overdrijving en alarmisme beschuldigd.

Waarom kwam trouwens de eerste prognose te hoog en de tweede prognose te laag uit? Welnu, in 1980 heerste er nog hoogconjunctuur en in 1982 had de economische malaise toegeslagen. Dergelijke omstandigheden hebben invloed op de immigratie. Wij zaten dus twee keer fout, maar waren het daarom slechte prognoses?

Welnee! Een prognose is niet goed doordat hij uitkomt. Een prognose is goed doordat hij het beste gebruik maakt van de op een moment voorhanden zijnde gegevens. Die gegevens zijn veranderlijk. Zij zijn onderhevig aan conjunctuur, bijvoorbeeld de economische conjunctuur of de beleidsconjunctuur. Op het ogenblik is het beleid bij voorbeeld erg immigratie-onvriendelijk, maar dat kan veranderen als onze vergrijzende bevolking in de toekomst niet meer kan voorzien in de behoefte aan arbeidskrachten. Een prognose is goed als hij goed gebruik maakt van de voorhanden zijnde gegevens; hij is nog beter als hij zich enigszins boven deze per definitie wisselvallige gegevens weet te verheffen en de ontwikkelingen op wat langere termijn weet te verdisconteren. In die zin was onze alarmerende prognose van 1980 beter dan de geruststellende becijfering van 1982.

Mijn demografische loopbaan is ook nu, geruime tijd na mijn pensionering, nog niet afgesloten. Ik ben zelfs als onbezoldigd medewerker verbonden aan een demografisch instituut. Ik hoef er niet elke dag naar toe. Een keer per week is toereikend, behalve als het regent, want dan ga ik helemaal niet. Het is een mooie wetenschap, de demografie die een scherp inzicht biedt in de maatschappelijke ontwikkelingen. Je werkt met veel hardere gegevens dan in de sociale wetenschap meestal gebeurt. Je bent niet aangewezen op enquêtes afgenomen onder vertekende steekproeven uit een ontoeschietelijke en leugenachtige populatie. Huwelijk, geboorte, migreren, verhuizen en doodgaan: dat zijn gebeurtenissen en geen meningen! Zij worden geregistreerd en de demograaf krijgt zijn informatie op een presenteerblad aangereikt. Hij is een gelukkig mens.
 
****************************
De Leunstoel wordt uitgegeven door:
Het Genootschap De Leunstoel.
Word lid! Ga naar: www.deleunstoel.nl/colofon.php


© 2011 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "Het leven zelf"
Beschouwingen > Het leven zelf
Mijn leven als demograaf Carlo van Praag
0001 BS Carlo
Ik ben lange tijd verbonden geweest aan het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Als ik dat vroeger aan de mensen meedeelde (desgevraagd, want uit mijzelf begon ik nooit over mijn werk), stuitte ik op een welwillende, maar niet van veel herkenning getuigende reactie. Men begreep, na enige verdere toelichting, dat ik mooi vast werk had in overheidsdienst en daarmee kon het onderwerp, naar genoegen van mijn gesprekspartner en mijzelf, worden afgesloten. Tegenwoordig doet de naam SCP bij menigeen een bel rinkelen. Is dat niet het instituut van Paul Schnabel?

Onder de enkele dozijnen wetenschappelijk medewerkers die het SCP telde, was ook een demograaf. Dat is iemand die (volgens een van de gangbare definities) de ontwikkelingen in omvang, samenstelling en ruimtelijke verdeling van de bevolking bestudeert. Toen deze huisdemograaf in 1992 vertrok, was er geen opvolger. Alle medewerkers deden voortaan hun eigen demografie. Maar was er in een rapport, zeg over de allochtonen, de ouderen, de jeugd, de vrouwen of welke zielige groep dan ook, een demografisch hoofdstuk nodig, dan werd ik nogal eens tot het schrijven daarvan uitgenodigd, bij gebrek aan beter, want ik heb op het punt van de demografie nauwelijks een opleiding genoten. Maar er was geen kunst aan. De Maandstatistiek van de bevolking van het CBS bevatte een overvloed aan materiaal over geboorte, sterfte, trouwen, scheiden, immigratie, emigratie en nog veel meer en ik hoefde daaruit slechts een passende selectie te maken. Met de komst van Statline, de interactieve database van het CBS in het midden van de jaren negentig werd het werk nog comfortabeler. Je kon via het internet contact leggen met dit prachtige gegevensfonds, daaruit je eigen tabellen samenstellen en die vervolgens exporteren naar de tekst van het rapport in wording. De grootste uitdaging was gelegen in een nette vormgeving van deze data; niet in de productie daarvan.

Maar misschien doe ik mijzelf tekort. Behalve demografische inleidingen tot andermans rapport, heb ik mij op het SCP in mijn eigenlijke rol als allochtonenonderzoeker ook verdiept in de ruimtelijke segregatie van bevolkingsgroepen en daartoe de nodige maten ingevoerd en berekend. Ik zie tot mijn genoegen dat het SCP in zijn allochtonenrapportages (die niet meer zo mogen heten, want de term allochtonen zou denigrerend zijn) de door mij aangevangen tijdreeksen nog steeds vervolgt, zodat wij weten dat de statistische ontmoetingskans van Turken en Marokkanen met hun eigen groep nog steeds toeneemt, terwijl die ontmoetingskans met de autochtone bevolking daalt. Wellicht is dat één van de redenen waarom ook de feitelijke ontmoetingsfrequentie van deze allochtone groepen met de autochtonen achterblijft bij de verwachtingen (SCP, Jaarrapport Integratie 2009).

En nu ik er goed over nadenk heb ik al in 1980 de helpende hand geboden bij enkele heuse bevolkingsprognoses van allochtone groepen in Nederland. De toen nog wel aanwezige huisdemograaf deed het rekenwerk met behulp van een tafelmodelcomputer die nochtans vrij omvangrijk was en die in de taal ‘basic’ geprogrammeerd werd. Een druk heen en weer spoelend cassettebandje bood enig zicht op de bezigheden van het apparaat. De resultaten van de berekeningen konden nauwelijks van het minuscule beeldscherm worden afgelezen, maar dienden te worden geprint.

De allochtonenprognose was pionierswerk en het resultaat trok de aandacht van de buitenwereld. Het onthaal was niet overal positief. Vooral in kringen van minderhedenonderzoekers vond men de prognose die een forse groei van de Turkse en Marokkaanse bevolkingsgroepen liet zien, nodeloos alarmerend. Twee van die onderzoekers, Rath en Schuster, constateerden in 1999 triomfantelijk dat het aantal Turken en Marokkanen helemaal niet zo hard groeide en dat het SCP de prognose na twee jaar al moest herzien. Welnu, het moest niet, maar wij hebben het tot mijn spijt wel gedaan. Inderdaad zaten wij met onze prognose van 1980 te hoog, maar de prognose van 1982 zat juist weer te laag. Merkwaardig dat Rath en Schuster deze tweede prognose niet opnemen in hun zwartboek van gelogenstrafte voorspellingen over de allochtonen. Die tweede prognose was blijkbaar niet alarmerend genoeg om op de korrel te nemen. Ik kan me er nu niet meer over opwinden; destijds wel! Het artikel van Rath en Schuster dateert zoals gezegd uit 1999. Het aantal Turken was inmiddels gegroeid tot 300.000 en het aantal Marokkanen beliep 252.000, aantallen die natuurlijk ook bij onze beide criticasters bekend waren. Maar hadden wij toentertijd dergelijke aantallen voorspeld, dan waren wij eerst recht van overdrijving en alarmisme beschuldigd.

Waarom kwam trouwens de eerste prognose te hoog en de tweede prognose te laag uit? Welnu, in 1980 heerste er nog hoogconjunctuur en in 1982 had de economische malaise toegeslagen. Dergelijke omstandigheden hebben invloed op de immigratie. Wij zaten dus twee keer fout, maar waren het daarom slechte prognoses?

Welnee! Een prognose is niet goed doordat hij uitkomt. Een prognose is goed doordat hij het beste gebruik maakt van de op een moment voorhanden zijnde gegevens. Die gegevens zijn veranderlijk. Zij zijn onderhevig aan conjunctuur, bijvoorbeeld de economische conjunctuur of de beleidsconjunctuur. Op het ogenblik is het beleid bij voorbeeld erg immigratie-onvriendelijk, maar dat kan veranderen als onze vergrijzende bevolking in de toekomst niet meer kan voorzien in de behoefte aan arbeidskrachten. Een prognose is goed als hij goed gebruik maakt van de voorhanden zijnde gegevens; hij is nog beter als hij zich enigszins boven deze per definitie wisselvallige gegevens weet te verheffen en de ontwikkelingen op wat langere termijn weet te verdisconteren. In die zin was onze alarmerende prognose van 1980 beter dan de geruststellende becijfering van 1982.

Mijn demografische loopbaan is ook nu, geruime tijd na mijn pensionering, nog niet afgesloten. Ik ben zelfs als onbezoldigd medewerker verbonden aan een demografisch instituut. Ik hoef er niet elke dag naar toe. Een keer per week is toereikend, behalve als het regent, want dan ga ik helemaal niet. Het is een mooie wetenschap, de demografie die een scherp inzicht biedt in de maatschappelijke ontwikkelingen. Je werkt met veel hardere gegevens dan in de sociale wetenschap meestal gebeurt. Je bent niet aangewezen op enquêtes afgenomen onder vertekende steekproeven uit een ontoeschietelijke en leugenachtige populatie. Huwelijk, geboorte, migreren, verhuizen en doodgaan: dat zijn gebeurtenissen en geen meningen! Zij worden geregistreerd en de demograaf krijgt zijn informatie op een presenteerblad aangereikt. Hij is een gelukkig mens.
 
****************************
De Leunstoel wordt uitgegeven door:
Het Genootschap De Leunstoel.
Word lid! Ga naar: www.deleunstoel.nl/colofon.php
© 2011 Carlo van Praag
powered by CJ2