archiefvorig nr.lopend nr.

Bezigheden > Ergernissen delen printen terug
Angsthaas Carlo van Praag

1907BZ Angsthaas
Uitstekend idee, zei mijn psychiater, de vierde op rij. Twee hadden afgehaakt en de derde was zelfs geëmigreerd. Heel moedig om de confrontatie met uw angst aan te gaan. Wanneer vertrekt u?

Ik zou in mijn eentje op reis gaan, niet uit verkiezing, want ik had liever gezelschap gehad, maar dat was niet gelukt. Het ontbrak mij aan populariteit. De bestemming had ik trouwens wel verkozen, want Griekenland was in die dagen, wij spreken van begin jaren zestig, het beloofde land. De vreemdeling werd daar als een vorst binnengehaald, overal uitgenodigd, maakte daardoor vrijwel geen kosten en leed geen moment aan eenzaamheid. Ook mijn muzikale perversie (ik houd alleen van muziek in mineur) zou daar tot haar recht komen.

Ik hoefde niemand in kennis te stellen van mijn vertrek, want niemand zou mij missen. Ouders had ik niet meer, alleen een broer in Canada. Als student met een beurs en een zogenaamd renteloos voorschot (kom daar nu nog eens om) was ik niet aan de bedelstaf, maar ook verre van bemiddeld. Ik bezat een degelijke rugzak van Carl Denig waarin ik mijn boeltje gemakkelijk kwijt kon. Kleren, toiletartikelen, wegenkaarten, een zaklantaarn en het onvolprezen ‘Levend Grieks’ van Dr. A.M. van Dijk-Wittop Koning, een boekje van 88 pagina’s met meer dan alleen voorbeeldzinnetjes; ook verbuigingen en vervoegingen en zelfs een lijst met verklaring van de gebruikte Latijnse grammaticale termen. Gen.= tweede naamval, pl. = meervoud etc. Het lag in verband met mijn financiële situatie voor de hand om te gaan liften. Ik stelde mij op de dag van het vertrek in alle vroegte op bij de Utrechtse brug, maar daar aangekomen, zonk de moed mij in de schoenen. Ik stak zonder overtuiging mijn duim omhoog om mij als lifter kenbaar te maken en liet hem meteen weer zakken.

Waarom moest ik zo nodig op avontuur? Wat deed ik hier op de brug? Ik wilde naar huis. Ik liep terug naar de halte van lijn 4 en betrad een kwartier later mijn armoedige maar veilige huurkamer. Ik ging op bed liggen om daar comfortabel mijn gebrek aan durf te betreuren. Dat was niet het einde van mijn project. De vakantie duurde nog lang en ik had niets omhanden. Waarom had ik dan ook geen vriendin om samen dingen mee te doen. Het leven zou er dan heel anders uitzien. Het zou de oplossing zijn van al mijn problemen. Ik zou met haar praten in plaats van met een psychiater waarmee ik buiten zijn spreekkamer, dus in de echte wereld, niets van doen had.

Op reis

De volgende dag alweer gespte ik nogmaals mijn rugzak aan en tramde naar de start. Ik had nauwelijks mijn duim opgestoken of er stopte een auto. Ik had de tijd niet om te aarzelen. Ik kon mee tot Arnhem en daar vond ik, na een klein half uur een lift helemaal tot Mannheim, in het destijds nog maar gedeeltelijk gerehabiliteerde Duitsland. Het werd nog vaak aangeduid als Moffrika. Veel mensen uit mijn kring vermeden het. Ook ik had mijn bedenkingen. Iedereen van boven de dertig kon immers een overtuigde Nazi of, meer waarschijnlijk, een onbekommerde meeloper zijn geweest.

Maar als je vanuit onze contreien naar de Balkan wilde, lag het land lelijk in de weg. En, zo hield ik mijzelf voor, het waren niet de Duitsers maar de Fransen die momenteel een smerige oorlog voerden in Algerije. Maar hoe dan ook, de reis verliep voorspoedig. Mijn gebrek aan geestdrift leek mij vleugels te geven.

Het probleem was nu vooral dat ik te geremd was om mijn weldoeners de conversatie te bieden waarop zij recht hadden. Op de Raststätte waar ik ten slotte werd afgezet, bestelde ik een koffie en at ik mijn boterhammetjes met de voor mijn doen luxueuze vleeswaren (rosbief en leverbeuling) die ik tevoren had klaargemaakt.

Angst en onbehagen, mijn vaste gezellen waar ook ter wereld, hadden even plaatsgemaakt voor een waakvlammetje levenslust. Zo liep ik naar de oprit voor het vervolg van mijn gratis reis. Ik haalde het plakkaat uit mijn rugzak met de daarop gekalkte vermelding: GRIECHENLAND en stak dat omhoog in de verwachting dat automobilisten wellicht graag het hunne zouden bijdragen aan mijn wereldreis (in die dagen waren Thailand en Costa Rica nog geen gebruikelijke bestemmingen voor de vakantieganger).

De eerste de beste Mercedes die de Raststätte verliet, stopte. ‘München’ zei de man achter het stuur. Te mooi om waar te zijn. Het gesprek moest nu in het Duits worden gevoerd, waarmee ik het zwaar zou gaan hebben. Gelukkig was de chauffeur een zwijgzaam type die kennelijk tevreden was met het geschetter van zijn radio. Hij was een linkerbaanrijder en wij schoten lekker op. Ik berekende dat ik de eerste dag al een derde van de afstand tot mijn reisdoel zou hebben afgelegd. Of meer, als de overzet per veerboot van Zuid-Italië naar Griekenland van het geheel werd afgetrokken. 

Half zes, nog klaarlichte dag en nog maar een kilometer of honderd tot München. Ik kon tevreden zijn, ware het niet dat ik enigszins wagenziek was. Er zou in München wel een jeugdherberg zijn om te overnachten en dan morgen over de Brennerpas naar Merano en verder richting Adriatische kust. Ik had ook een visum voor Joegoslavië, maar ik was onzeker over de liftmogelijkheden in dat land en liet het dus maar links liggen. Als die misselijkheid maar overging. Het werd steeds nijpender. Ik was bang in de auto te gaan overgeven.

‘Ich fühl mich nicht wohl, ich möchte aussteigen’ kreunde ik. 
‘Was? Ist Ihnen schlecht geworden? Halten Sie durch! Nur etwa zehn kilometer bis die nächste Raststätte.’ 
Wij waren er. Ik had nog net de tijd om uit te stappen voor ik het parkeervak begon onder te kotsen.
(wordt vervolgd; ik weet alleen nog niet hoe)

----------

Het knipwerkje - nou ja werkje... - is van Linda Hulshoff
Meer informatie: lindahulshof71@gmail.com




© 2022 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "Ergernissen" -
Bezigheden > Ergernissen
Angsthaas Carlo van Praag
1907BZ Angsthaas
Uitstekend idee, zei mijn psychiater, de vierde op rij. Twee hadden afgehaakt en de derde was zelfs geëmigreerd. Heel moedig om de confrontatie met uw angst aan te gaan. Wanneer vertrekt u?

Ik zou in mijn eentje op reis gaan, niet uit verkiezing, want ik had liever gezelschap gehad, maar dat was niet gelukt. Het ontbrak mij aan populariteit. De bestemming had ik trouwens wel verkozen, want Griekenland was in die dagen, wij spreken van begin jaren zestig, het beloofde land. De vreemdeling werd daar als een vorst binnengehaald, overal uitgenodigd, maakte daardoor vrijwel geen kosten en leed geen moment aan eenzaamheid. Ook mijn muzikale perversie (ik houd alleen van muziek in mineur) zou daar tot haar recht komen.

Ik hoefde niemand in kennis te stellen van mijn vertrek, want niemand zou mij missen. Ouders had ik niet meer, alleen een broer in Canada. Als student met een beurs en een zogenaamd renteloos voorschot (kom daar nu nog eens om) was ik niet aan de bedelstaf, maar ook verre van bemiddeld. Ik bezat een degelijke rugzak van Carl Denig waarin ik mijn boeltje gemakkelijk kwijt kon. Kleren, toiletartikelen, wegenkaarten, een zaklantaarn en het onvolprezen ‘Levend Grieks’ van Dr. A.M. van Dijk-Wittop Koning, een boekje van 88 pagina’s met meer dan alleen voorbeeldzinnetjes; ook verbuigingen en vervoegingen en zelfs een lijst met verklaring van de gebruikte Latijnse grammaticale termen. Gen.= tweede naamval, pl. = meervoud etc. Het lag in verband met mijn financiële situatie voor de hand om te gaan liften. Ik stelde mij op de dag van het vertrek in alle vroegte op bij de Utrechtse brug, maar daar aangekomen, zonk de moed mij in de schoenen. Ik stak zonder overtuiging mijn duim omhoog om mij als lifter kenbaar te maken en liet hem meteen weer zakken.

Waarom moest ik zo nodig op avontuur? Wat deed ik hier op de brug? Ik wilde naar huis. Ik liep terug naar de halte van lijn 4 en betrad een kwartier later mijn armoedige maar veilige huurkamer. Ik ging op bed liggen om daar comfortabel mijn gebrek aan durf te betreuren. Dat was niet het einde van mijn project. De vakantie duurde nog lang en ik had niets omhanden. Waarom had ik dan ook geen vriendin om samen dingen mee te doen. Het leven zou er dan heel anders uitzien. Het zou de oplossing zijn van al mijn problemen. Ik zou met haar praten in plaats van met een psychiater waarmee ik buiten zijn spreekkamer, dus in de echte wereld, niets van doen had.

Op reis

De volgende dag alweer gespte ik nogmaals mijn rugzak aan en tramde naar de start. Ik had nauwelijks mijn duim opgestoken of er stopte een auto. Ik had de tijd niet om te aarzelen. Ik kon mee tot Arnhem en daar vond ik, na een klein half uur een lift helemaal tot Mannheim, in het destijds nog maar gedeeltelijk gerehabiliteerde Duitsland. Het werd nog vaak aangeduid als Moffrika. Veel mensen uit mijn kring vermeden het. Ook ik had mijn bedenkingen. Iedereen van boven de dertig kon immers een overtuigde Nazi of, meer waarschijnlijk, een onbekommerde meeloper zijn geweest.

Maar als je vanuit onze contreien naar de Balkan wilde, lag het land lelijk in de weg. En, zo hield ik mijzelf voor, het waren niet de Duitsers maar de Fransen die momenteel een smerige oorlog voerden in Algerije. Maar hoe dan ook, de reis verliep voorspoedig. Mijn gebrek aan geestdrift leek mij vleugels te geven.

Het probleem was nu vooral dat ik te geremd was om mijn weldoeners de conversatie te bieden waarop zij recht hadden. Op de Raststätte waar ik ten slotte werd afgezet, bestelde ik een koffie en at ik mijn boterhammetjes met de voor mijn doen luxueuze vleeswaren (rosbief en leverbeuling) die ik tevoren had klaargemaakt.

Angst en onbehagen, mijn vaste gezellen waar ook ter wereld, hadden even plaatsgemaakt voor een waakvlammetje levenslust. Zo liep ik naar de oprit voor het vervolg van mijn gratis reis. Ik haalde het plakkaat uit mijn rugzak met de daarop gekalkte vermelding: GRIECHENLAND en stak dat omhoog in de verwachting dat automobilisten wellicht graag het hunne zouden bijdragen aan mijn wereldreis (in die dagen waren Thailand en Costa Rica nog geen gebruikelijke bestemmingen voor de vakantieganger).

De eerste de beste Mercedes die de Raststätte verliet, stopte. ‘München’ zei de man achter het stuur. Te mooi om waar te zijn. Het gesprek moest nu in het Duits worden gevoerd, waarmee ik het zwaar zou gaan hebben. Gelukkig was de chauffeur een zwijgzaam type die kennelijk tevreden was met het geschetter van zijn radio. Hij was een linkerbaanrijder en wij schoten lekker op. Ik berekende dat ik de eerste dag al een derde van de afstand tot mijn reisdoel zou hebben afgelegd. Of meer, als de overzet per veerboot van Zuid-Italië naar Griekenland van het geheel werd afgetrokken. 

Half zes, nog klaarlichte dag en nog maar een kilometer of honderd tot München. Ik kon tevreden zijn, ware het niet dat ik enigszins wagenziek was. Er zou in München wel een jeugdherberg zijn om te overnachten en dan morgen over de Brennerpas naar Merano en verder richting Adriatische kust. Ik had ook een visum voor Joegoslavië, maar ik was onzeker over de liftmogelijkheden in dat land en liet het dus maar links liggen. Als die misselijkheid maar overging. Het werd steeds nijpender. Ik was bang in de auto te gaan overgeven.

‘Ich fühl mich nicht wohl, ich möchte aussteigen’ kreunde ik. 
‘Was? Ist Ihnen schlecht geworden? Halten Sie durch! Nur etwa zehn kilometer bis die nächste Raststätte.’ 
Wij waren er. Ik had nog net de tijd om uit te stappen voor ik het parkeervak begon onder te kotsen.
(wordt vervolgd; ik weet alleen nog niet hoe)

----------

Het knipwerkje - nou ja werkje... - is van Linda Hulshoff
Meer informatie: lindahulshof71@gmail.com


© 2022 Carlo van Praag
powered by CJ2