archiefvorig nr.lopend nr.

Bezigheden > Ergernissen delen printen terug
De opmars van de lelijkheid Gerbrand Muller

0718BZ Lelijkheid
Of: over smaken valt te twisten
 
Op een feestje voor gepensioneerde ambtenaren werd ik uitgenodigd iets te zeggen ‘wat je niet mag zeggen’. Bedoeld werd iets wat je niet in een beleidsnota mag schrijven omdat ‘ze’ (de politici, de beleidsvoerders, de ambtenaren op ministeries) je dan alleen maar zouden uitlachen. Het mag misschien maar al te waar zijn, maar het is even niet handig om het op te schrijven, omdat het niet strookt met de lijn waarvoor de politici om hen moverende redenen voorlopig hebben gekozen. Politici passen ook op hun woorden: één verkeerd woord kan het einde van hun carrière inluiden. De ceremoniemeester – entertainer moet ik eigenlijk zeggen – verzekerde me dat hij niet met zijn ogen zou knipperen, wat ik ook zou beweren, maar toen ik aan zijn verzoek had voldaan sperde hij zijn ogen open en begon spottend te lachen. Hij vroeg me te herhalen wat ik gezegd had, want hij twijfelde of hij me wel goed begrepen had. Ik herhaalde mijn woorden: Voor het eerst in de geschiedenis is de lelijkheid zichtbaar en hoorbaar om ons heen.

‘Leg uit,’ zei hij, nog steeds lachend, maar nu al meer beroepsmatig, want het was tenslotte zijn taak om de zaal het gevoel te geven dat er in het leven veel te lachen viel. Ik zei dat ik het niet hoefde uit te leggen aan wie het begreep, terwijl degene aan wie ik het moest uitleggen het nooit zou begrijpen. Hij antwoordde dat ik met zo’n flauw excuus niet wegkwam. Ik spoorde hem aan zijn ogen goed de kost te geven als hij straks buiten kwam.
‘Let u op de te gek leuke tralies dwars over de gevel van dit gebouw, het ene knotsgekke raampje, de dakgoot die aan een kant ver overhelt en aan de andere kant zo smal is dat er geen kat over kan lopen. Het in de lucht zwevende stuk van de vijfde verdieping is het enige onderdeel met rechte lijnen, om de rest van de gevel te beschrijven zou je nieuwe meetkundige termen moeten verzinnen. De kromme rechte. De driezijdige vierhoek. De elliptische hyperbool.’
 
‘Overdrijft u niet een beetje?’
‘Als u denkt dat ik overdrijf, laten we dan naar buiten gaan en probeert u eens de gevel in gewone meetkundige termen te beschrijven.’
‘Moet dat dan?’
‘De wiskunde beschrijft de in onze hersens neergelegde harmonische begrippen die onze waarnemingen structureren en mogelijk maken. Harmonie is een voorwaarde voor schoonheid. Een harmonische vorm kan disharmonie in zich bergen zonder op te houden harmonisch te zijn en het aantal harmonische vormen is oneindig. Dat oneindige aantal ligt wel binnen bepaalde grenzen. Dat is misschien het duidelijkst bij de architectuur. Er moet daar sprake zijn van een zekere symmetrie en er moet worden uitgegaan van eenvoudige, herkenbare vormen zoals bijvoorbeeld de rechte lijn, de loodlijn, de rechthoek, het vierkant, de ononderbroken boog, de kruisboog, de cirkel, het ovaal, de parallel, de gelijkbenige driehoek, de diagonaal. Vormen die overigens in principe op oneindig veel manieren gecombineerd kunnen worden. Maar om een of andere vreemde reden acht de jongste generatie architecten het beneden zich om binnen die grenzen te blijven en nu is het hek van de dam. Je krijgt nog heimwee naar de droefgeestige eenvormigheid van hun directe voorgangers...’
 
‘Ik ga u onderbreken. U doet in grote vaart een serie sweeping statements. Als u het niet erg vindt laat ik die even voor wat ze zijn. Terug naar de hoofdzaak: voor het eerst in de geschiedenis is de lelijkheid, wat zei u? Zichtbaar en hoorbaar om ons heen. De eerste vraag die dan bij mij opkomt is: wat verstaat u onder lelijkheid?’
‘Het tegendeel van schoonheid.’
‘Wat is schoonheid?’
‘De openbaring van harmonie.’
‘En wat harmonie is hoef ik u niet meer te vragen, dat zijn die wiskundige begrippen waar u het over had. Er zijn inderdaad mensen die zeggen dat Bach wiskunde is, daar zal u het wel mee eens zijn.’
‘Muziek is geen wiskunde.’
‘Nou breekt mijn klomp. Laten we de muziek dan maar even laten rusten. Kent u het Musée Pompidou?’
‘Ik ken het.’
‘Lelijk hé?’
‘Niet mooi, niet lelijk.’
‘Kijk eens, er bestaat voor u nog een tussenvorm, sommige dingen zijn niet mooi en niet lelijk. Maar we hebben het nu wel over het Musée Pompidou! Niet de minsten noemen dit gebouw geniaal: wat overal binnenin zit zie je hier aan de buitenkant, buizen in allerlei formaten en kleuren. En dat noemt u: niet mooi, niet lelijk.’
‘Soms zeg ik ook maar wat. Het Musée Pompidou is niet bepaald een lust voor het oog, laat ik het dan zo uitdrukken.’
 
‘Vindt u het nog leuk om met mij op het podium te staan? Ik zweer u, ik klets er misschien veel op los, maar het interesseert me wat u zegt. Of eigenlijk niet wat u zegt, ik interesseer me voor u. Mag ik u nog een vraag stellen? Als ik u zo aankijk dan lijkt het me dat u niet helemaal tevreden bent. U bent geen ontzettende somberaar, maar vrolijk is anders. Wat maakt u ontevreden?’
‘De lelijkheid stemt niet altijd vrolijk.’
‘Daar gaan we weer! U loopt als een kat om de hete brij heen. Zo erg kan het toch niet zijn! En wist u dat er altijd lelijkheid geweest is? Anders zou er vroeger geen woord voor hebben bestaan. U vindt de Notre Dame waarschijnlijk mooi, maar vroeger zullen mensen hem vast ook lelijk hebben gevonden. Of de Eiffeltoren: voor sommigen mensen niet om aan te zien toen hij er pas stond, nu niet meer weg te denken uit het Parijse stadsbeeld.’
‘De Eiffeltoren is niet bepaald een wonder van schoonheid.’
‘De Eiffeltoren niet bepaald een wonder van schoonheid! Vooruit maar weer. Maar sorry, ik hou nog even vol, de lelijkheid kan niet uw probleem zijn.’
‘Waarom denkt u dat?’
‘U gaat me toch niet vertellen dat u ongelukkig bent vanwege een paar gebouwen die niet helemaal in gangbare wiskundige termen te beschrijven zijn.’
‘De wereld wordt volgeplempt met zulke gebouwen.’
‘Meneer, draaft u nu niet heel erg door?’
‘Voor het eerst in de geschiedenis bestaat er ook lelijke muziek.’
‘Ik geloof het graag. Ik zou alleen zo graag willen weten waarom u niet altijd vrolijk bent.’
‘Zonder al het lelijke zou ik vrolijker zijn.’
‘Ik zou ook vrolijker zijn als de zon wat vaker scheen. Kent u trouwens het spreekwoord, over smaken valt niet te twisten?’
‘Over smaken valt te twisten als de mensen maar bereid waren soms te twijfelen en hun mening te geven voor een betere.’
‘U bedoelt?’
‘Smaken kunnen zich ontwikkelen. Mensen met een minder ontwikkelde smaak zouden niet direct met hun oordeel klaar moeten staan.’
 
‘Ik heb de indruk dat u zelf nogal gauw met uw oordeel klaar staat. Oké, over muziek gesproken, house kan vast niet uw goedkeuring wegdragen.’
‘In house zit tenminste nog leven. Met lelijke muziek bedoel ik de ingeblikte klanken die in winkelcentra, restaurants, banken en sommige openbare ruimten in je oren sijpelen. Met technisch vernuft hebben specialisten elke schijn van gevoel uit de stemmen weggezuiverd, maar wel in de ‘melodie’ tussen aanhalingstekens een splintertje weemoed gelaten. Dat splintertje is waarschijnlijk onmisbaar, want zonder althans een schijn van romantiek wordt het ook voor de sufste mens de dood in de pot. Wetenschappelijk onderzoek schijnt te hebben uitgewezen dat 95 procent van het publiek door dit soort klanken rustig wordt, terwijl vijf procent zelfmoordneigingen krijgt.’
‘Als een grote meerderheid er geen problemen mee heeft, maar integendeel...’
‘...dan heeft die vijf procent pech gehad, u heeft gelijk! Wist u dat ze ook hebben uitgedokterd hoe het splintertje weemoed muzikaal vorm gegeven moet worden? In een dalende reeks van drie een hele toonsafstand van elkaar verwijderde noten waarvan de eerste drie keer zo lang duurt als elk van de volgende twee. Die sequens komt vaak terug, let u maar op als u weer boodschappen doet.’
 
‘Ja ja! U bent een grappenmaker. U mag weer gaan zitten. Dank u voor dit gesprek!’
 
*******************************
De tekening is van Linda Hulshof .
Meer over haar op: www.lindahulshof.nl
 
************************
Nieuwsgierig naar de uitgaven
van uitgeverij De Sneeuwstorm?
Verwen uzelf en vraag gratis
Het laatste Vlugschrift aan via:


© 2010 Gerbrand Muller meer Gerbrand Muller - meer "Ergernissen" -
Bezigheden > Ergernissen
De opmars van de lelijkheid Gerbrand Muller
0718BZ Lelijkheid
Of: over smaken valt te twisten
 
Op een feestje voor gepensioneerde ambtenaren werd ik uitgenodigd iets te zeggen ‘wat je niet mag zeggen’. Bedoeld werd iets wat je niet in een beleidsnota mag schrijven omdat ‘ze’ (de politici, de beleidsvoerders, de ambtenaren op ministeries) je dan alleen maar zouden uitlachen. Het mag misschien maar al te waar zijn, maar het is even niet handig om het op te schrijven, omdat het niet strookt met de lijn waarvoor de politici om hen moverende redenen voorlopig hebben gekozen. Politici passen ook op hun woorden: één verkeerd woord kan het einde van hun carrière inluiden. De ceremoniemeester – entertainer moet ik eigenlijk zeggen – verzekerde me dat hij niet met zijn ogen zou knipperen, wat ik ook zou beweren, maar toen ik aan zijn verzoek had voldaan sperde hij zijn ogen open en begon spottend te lachen. Hij vroeg me te herhalen wat ik gezegd had, want hij twijfelde of hij me wel goed begrepen had. Ik herhaalde mijn woorden: Voor het eerst in de geschiedenis is de lelijkheid zichtbaar en hoorbaar om ons heen.

‘Leg uit,’ zei hij, nog steeds lachend, maar nu al meer beroepsmatig, want het was tenslotte zijn taak om de zaal het gevoel te geven dat er in het leven veel te lachen viel. Ik zei dat ik het niet hoefde uit te leggen aan wie het begreep, terwijl degene aan wie ik het moest uitleggen het nooit zou begrijpen. Hij antwoordde dat ik met zo’n flauw excuus niet wegkwam. Ik spoorde hem aan zijn ogen goed de kost te geven als hij straks buiten kwam.
‘Let u op de te gek leuke tralies dwars over de gevel van dit gebouw, het ene knotsgekke raampje, de dakgoot die aan een kant ver overhelt en aan de andere kant zo smal is dat er geen kat over kan lopen. Het in de lucht zwevende stuk van de vijfde verdieping is het enige onderdeel met rechte lijnen, om de rest van de gevel te beschrijven zou je nieuwe meetkundige termen moeten verzinnen. De kromme rechte. De driezijdige vierhoek. De elliptische hyperbool.’
 
‘Overdrijft u niet een beetje?’
‘Als u denkt dat ik overdrijf, laten we dan naar buiten gaan en probeert u eens de gevel in gewone meetkundige termen te beschrijven.’
‘Moet dat dan?’
‘De wiskunde beschrijft de in onze hersens neergelegde harmonische begrippen die onze waarnemingen structureren en mogelijk maken. Harmonie is een voorwaarde voor schoonheid. Een harmonische vorm kan disharmonie in zich bergen zonder op te houden harmonisch te zijn en het aantal harmonische vormen is oneindig. Dat oneindige aantal ligt wel binnen bepaalde grenzen. Dat is misschien het duidelijkst bij de architectuur. Er moet daar sprake zijn van een zekere symmetrie en er moet worden uitgegaan van eenvoudige, herkenbare vormen zoals bijvoorbeeld de rechte lijn, de loodlijn, de rechthoek, het vierkant, de ononderbroken boog, de kruisboog, de cirkel, het ovaal, de parallel, de gelijkbenige driehoek, de diagonaal. Vormen die overigens in principe op oneindig veel manieren gecombineerd kunnen worden. Maar om een of andere vreemde reden acht de jongste generatie architecten het beneden zich om binnen die grenzen te blijven en nu is het hek van de dam. Je krijgt nog heimwee naar de droefgeestige eenvormigheid van hun directe voorgangers...’
 
‘Ik ga u onderbreken. U doet in grote vaart een serie sweeping statements. Als u het niet erg vindt laat ik die even voor wat ze zijn. Terug naar de hoofdzaak: voor het eerst in de geschiedenis is de lelijkheid, wat zei u? Zichtbaar en hoorbaar om ons heen. De eerste vraag die dan bij mij opkomt is: wat verstaat u onder lelijkheid?’
‘Het tegendeel van schoonheid.’
‘Wat is schoonheid?’
‘De openbaring van harmonie.’
‘En wat harmonie is hoef ik u niet meer te vragen, dat zijn die wiskundige begrippen waar u het over had. Er zijn inderdaad mensen die zeggen dat Bach wiskunde is, daar zal u het wel mee eens zijn.’
‘Muziek is geen wiskunde.’
‘Nou breekt mijn klomp. Laten we de muziek dan maar even laten rusten. Kent u het Musée Pompidou?’
‘Ik ken het.’
‘Lelijk hé?’
‘Niet mooi, niet lelijk.’
‘Kijk eens, er bestaat voor u nog een tussenvorm, sommige dingen zijn niet mooi en niet lelijk. Maar we hebben het nu wel over het Musée Pompidou! Niet de minsten noemen dit gebouw geniaal: wat overal binnenin zit zie je hier aan de buitenkant, buizen in allerlei formaten en kleuren. En dat noemt u: niet mooi, niet lelijk.’
‘Soms zeg ik ook maar wat. Het Musée Pompidou is niet bepaald een lust voor het oog, laat ik het dan zo uitdrukken.’
 
‘Vindt u het nog leuk om met mij op het podium te staan? Ik zweer u, ik klets er misschien veel op los, maar het interesseert me wat u zegt. Of eigenlijk niet wat u zegt, ik interesseer me voor u. Mag ik u nog een vraag stellen? Als ik u zo aankijk dan lijkt het me dat u niet helemaal tevreden bent. U bent geen ontzettende somberaar, maar vrolijk is anders. Wat maakt u ontevreden?’
‘De lelijkheid stemt niet altijd vrolijk.’
‘Daar gaan we weer! U loopt als een kat om de hete brij heen. Zo erg kan het toch niet zijn! En wist u dat er altijd lelijkheid geweest is? Anders zou er vroeger geen woord voor hebben bestaan. U vindt de Notre Dame waarschijnlijk mooi, maar vroeger zullen mensen hem vast ook lelijk hebben gevonden. Of de Eiffeltoren: voor sommigen mensen niet om aan te zien toen hij er pas stond, nu niet meer weg te denken uit het Parijse stadsbeeld.’
‘De Eiffeltoren is niet bepaald een wonder van schoonheid.’
‘De Eiffeltoren niet bepaald een wonder van schoonheid! Vooruit maar weer. Maar sorry, ik hou nog even vol, de lelijkheid kan niet uw probleem zijn.’
‘Waarom denkt u dat?’
‘U gaat me toch niet vertellen dat u ongelukkig bent vanwege een paar gebouwen die niet helemaal in gangbare wiskundige termen te beschrijven zijn.’
‘De wereld wordt volgeplempt met zulke gebouwen.’
‘Meneer, draaft u nu niet heel erg door?’
‘Voor het eerst in de geschiedenis bestaat er ook lelijke muziek.’
‘Ik geloof het graag. Ik zou alleen zo graag willen weten waarom u niet altijd vrolijk bent.’
‘Zonder al het lelijke zou ik vrolijker zijn.’
‘Ik zou ook vrolijker zijn als de zon wat vaker scheen. Kent u trouwens het spreekwoord, over smaken valt niet te twisten?’
‘Over smaken valt te twisten als de mensen maar bereid waren soms te twijfelen en hun mening te geven voor een betere.’
‘U bedoelt?’
‘Smaken kunnen zich ontwikkelen. Mensen met een minder ontwikkelde smaak zouden niet direct met hun oordeel klaar moeten staan.’
 
‘Ik heb de indruk dat u zelf nogal gauw met uw oordeel klaar staat. Oké, over muziek gesproken, house kan vast niet uw goedkeuring wegdragen.’
‘In house zit tenminste nog leven. Met lelijke muziek bedoel ik de ingeblikte klanken die in winkelcentra, restaurants, banken en sommige openbare ruimten in je oren sijpelen. Met technisch vernuft hebben specialisten elke schijn van gevoel uit de stemmen weggezuiverd, maar wel in de ‘melodie’ tussen aanhalingstekens een splintertje weemoed gelaten. Dat splintertje is waarschijnlijk onmisbaar, want zonder althans een schijn van romantiek wordt het ook voor de sufste mens de dood in de pot. Wetenschappelijk onderzoek schijnt te hebben uitgewezen dat 95 procent van het publiek door dit soort klanken rustig wordt, terwijl vijf procent zelfmoordneigingen krijgt.’
‘Als een grote meerderheid er geen problemen mee heeft, maar integendeel...’
‘...dan heeft die vijf procent pech gehad, u heeft gelijk! Wist u dat ze ook hebben uitgedokterd hoe het splintertje weemoed muzikaal vorm gegeven moet worden? In een dalende reeks van drie een hele toonsafstand van elkaar verwijderde noten waarvan de eerste drie keer zo lang duurt als elk van de volgende twee. Die sequens komt vaak terug, let u maar op als u weer boodschappen doet.’
 
‘Ja ja! U bent een grappenmaker. U mag weer gaan zitten. Dank u voor dit gesprek!’
 
*******************************
De tekening is van Linda Hulshof .
Meer over haar op: www.lindahulshof.nl
 
************************
Nieuwsgierig naar de uitgaven
van uitgeverij De Sneeuwstorm?
Verwen uzelf en vraag gratis
Het laatste Vlugschrift aan via:
© 2010 Gerbrand Muller
powered by CJ2