archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
De volatiele kiezer Paul Bordewijk

2108BS Kiezer

Willen we stabiliteit of dynamiek?

In 2009 schreef ik samen met Pieter Nieuwenhuijsen een artikel voor het jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting over de gemeentepolitiek van de PvdA in de daaraan voorafgaande twintig jaar. ‘Volatiele jaren’ heette het stuk, vanwege de vluchtigheid van de verkiezingsresultaten in die periode. You ain’t seen nothin’ yet, zou ik met de kennis van nu willen zeggen tegen de lezers van toen. We hadden toen ook al scherpe dalingen beleefd van PvdA en CDA, en plotselinge stijgingen van LPF en Trots op Nederland, de eendagsbeweging van Rita Verdonk die medio 2008 25 zetels peilde maar die binnen een jaar weer verspeelde. Maar dat is niets vergeleken bij wat er in 2023 gebeurde, toen binnen één jaar drie partijen, de BBB, NSC en de PVV bij verkiezingen of in peilingen veruit de grootste partij werden. Of vergeleken bij de electorale duikvlucht die de PvdA nam ten tijde van het tweede kabinet Rutte, toen de partij drie kwart van zijn zetels verspeelde. Of bij de bewegingen van het CDA, opgebouwd uit partijen die ooit de helft van de zetels in de Tweede Kamer innamen, waarvan er nu nog maar vijf over zijn.

Zorgen

Er is reden je zorgen te maken over de volatiliteit omdat het de stabiliteit van ons politieke systeem ondergraaft. Combinaties van partijen die in de ene periode over een werkbare meerderheid in de Tweede Kamer beschikken, kunnen die na nieuwe verkiezingen zomaar kwijt zijn. Dat geldt ook voor de steun aan de in die periode vastgestelde wetten. Wanneer grote fracties bij verkiezingen veel zetels kwijt raken, betekent dat dat er Kamerleden uit die fracties tegen hun zin niet terug kunnen keren, waarmee de ervaring van de Kamer wordt aangetast. En de grote volatiliteit maakt dat kabinetten die gebaseerd zijn op een meerderheid in de Tweede Kamer vaak niet over een meerderheid in de Eerste Kamer beschikken, en wanneer dat al het geval is die meerderheid na verkiezingen van de Provinciale Staten snel kwijt zijn.

Toch is er een tijd geweest met weinig politieke volatiliteit, waarin daar juist door progressieve mensen over geklaagd werd. Vanaf de oorlog tot aan de verkiezingen van 1967 waren er naar onze maatstaven slechts minieme verschuivingen. Dit gebrek aan dynamiek begon er al mee dat de eerste na-oorlogse verkiezingen van 1946 slechts kleine verschuivingen opleverden ten opzichte van de vooroorlogse Tweede Kamer. Alleen de CPN steeg toen aanzienlijk. Maar alle gesprekken over politieke vernieuwing tijdens en vlak na de oorlog die een ‘Doorbraak’ hadden moeten opleveren die de PvdA tot de leidende politieke partij had moeten maken, leverden niets op, vooral ook omdat de katholieke bisschoppen er bij hun gelovigen op aandrongen de eigen Katholieke Volkspartij trouw te blijven.

Geen Doorbraak

Het uitblijven van de Doorbraak leidde tot grote politieke stabiliteit, maar dat was progressief Nederland een doorn in het oog. In 1956 richtte de PvdA het ‘doorbraakfonds’ op, waarvoor de leden elke dag geacht werden één cent in een kartonnen busje op de schoorsteenmantel te doen. Toen de PvdA daarna vier zetels won in een Kamer van honderd leden, noemde men dat een politieke aardverschuiving, maar dat zei meer over de stabiliteit van het bestel dan over een werkelijke machtsverschuiving. ‘Doorbraak een feit’ kopte de PvdA-krant Het Vrije Volk, maar de onderhandelingen over de verdeling van de macht die de PvdA met de KVP moest voeren werden er alleen maar moeilijker op.
De PvdA verweet stemmers op de KVP en de protestants-christelijke partijen dat zij zich alleen lieten leiden door hun godsdienst en niet door hun opvattingen over het beleid dat gevoerd moest worden: ze stemden wel, maar ze kozen niet. Later werden er ook voorstellen gedaan om met een ander kiesstelsel de volatiliteit bewust te vergroten. Er werd met jaloezie gekeken naar het Britse districtenstelsel, of gefilosofeerd over een ander stelsel dat de grootste partij zou belonen met een extra bonus. De CPN reageerde daarop met de brochure Kiezen of knoeien.

Kiezers beslissen

Terwijl de confessionele partijen tot afgrijzen van de PvdA in die tijd stabiel bleven, waren het de kiezers van de PvdA zelf die andere keuzes gingen maken, waardoor de PvdA in de jaren zestig gevoelige verliezen leed. Later werd dat goed gemaakt doordat kiezers van de confessionele partijen overgingen naar de PvdA, waardoor die partij in 1977 en 1986 electorale hoogtepunten beleefde. Daarna was het uit met de pret omdat de leiding van de PvdA koos voor een rechtsere koers waarmee men veel kiezers van zich vervreemdde.
Terugkijkend moeten we ons afvragen of de verstarring van de eerste decennia na de oorlog nu echt zo afschuwelijk was, of dat het een zegenrijke stabiliteit betekende waar we nu alleen nog maar met jaloezie naar kunnen kijken. We kunnen daar lang over discussiëren, maar de uitkomst van die discussie bepaalt niet wat er in de realiteit gebeurt. Het zijn individuele kiezers die elke keer beslissen of ze op dezelfde partij stemmen als de vorige keer, en de gevolgen daarvan voor de stabiliteit van het systeem zijn daaraan ondergeschikt.

----------

De illustratie is van Han Busstra.



© 2024 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
De volatiele kiezer Paul Bordewijk
2108BS Kiezer

Willen we stabiliteit of dynamiek?

In 2009 schreef ik samen met Pieter Nieuwenhuijsen een artikel voor het jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting over de gemeentepolitiek van de PvdA in de daaraan voorafgaande twintig jaar. ‘Volatiele jaren’ heette het stuk, vanwege de vluchtigheid van de verkiezingsresultaten in die periode. You ain’t seen nothin’ yet, zou ik met de kennis van nu willen zeggen tegen de lezers van toen. We hadden toen ook al scherpe dalingen beleefd van PvdA en CDA, en plotselinge stijgingen van LPF en Trots op Nederland, de eendagsbeweging van Rita Verdonk die medio 2008 25 zetels peilde maar die binnen een jaar weer verspeelde. Maar dat is niets vergeleken bij wat er in 2023 gebeurde, toen binnen één jaar drie partijen, de BBB, NSC en de PVV bij verkiezingen of in peilingen veruit de grootste partij werden. Of vergeleken bij de electorale duikvlucht die de PvdA nam ten tijde van het tweede kabinet Rutte, toen de partij drie kwart van zijn zetels verspeelde. Of bij de bewegingen van het CDA, opgebouwd uit partijen die ooit de helft van de zetels in de Tweede Kamer innamen, waarvan er nu nog maar vijf over zijn.

Zorgen

Er is reden je zorgen te maken over de volatiliteit omdat het de stabiliteit van ons politieke systeem ondergraaft. Combinaties van partijen die in de ene periode over een werkbare meerderheid in de Tweede Kamer beschikken, kunnen die na nieuwe verkiezingen zomaar kwijt zijn. Dat geldt ook voor de steun aan de in die periode vastgestelde wetten. Wanneer grote fracties bij verkiezingen veel zetels kwijt raken, betekent dat dat er Kamerleden uit die fracties tegen hun zin niet terug kunnen keren, waarmee de ervaring van de Kamer wordt aangetast. En de grote volatiliteit maakt dat kabinetten die gebaseerd zijn op een meerderheid in de Tweede Kamer vaak niet over een meerderheid in de Eerste Kamer beschikken, en wanneer dat al het geval is die meerderheid na verkiezingen van de Provinciale Staten snel kwijt zijn.

Toch is er een tijd geweest met weinig politieke volatiliteit, waarin daar juist door progressieve mensen over geklaagd werd. Vanaf de oorlog tot aan de verkiezingen van 1967 waren er naar onze maatstaven slechts minieme verschuivingen. Dit gebrek aan dynamiek begon er al mee dat de eerste na-oorlogse verkiezingen van 1946 slechts kleine verschuivingen opleverden ten opzichte van de vooroorlogse Tweede Kamer. Alleen de CPN steeg toen aanzienlijk. Maar alle gesprekken over politieke vernieuwing tijdens en vlak na de oorlog die een ‘Doorbraak’ hadden moeten opleveren die de PvdA tot de leidende politieke partij had moeten maken, leverden niets op, vooral ook omdat de katholieke bisschoppen er bij hun gelovigen op aandrongen de eigen Katholieke Volkspartij trouw te blijven.

Geen Doorbraak

Het uitblijven van de Doorbraak leidde tot grote politieke stabiliteit, maar dat was progressief Nederland een doorn in het oog. In 1956 richtte de PvdA het ‘doorbraakfonds’ op, waarvoor de leden elke dag geacht werden één cent in een kartonnen busje op de schoorsteenmantel te doen. Toen de PvdA daarna vier zetels won in een Kamer van honderd leden, noemde men dat een politieke aardverschuiving, maar dat zei meer over de stabiliteit van het bestel dan over een werkelijke machtsverschuiving. ‘Doorbraak een feit’ kopte de PvdA-krant Het Vrije Volk, maar de onderhandelingen over de verdeling van de macht die de PvdA met de KVP moest voeren werden er alleen maar moeilijker op.
De PvdA verweet stemmers op de KVP en de protestants-christelijke partijen dat zij zich alleen lieten leiden door hun godsdienst en niet door hun opvattingen over het beleid dat gevoerd moest worden: ze stemden wel, maar ze kozen niet. Later werden er ook voorstellen gedaan om met een ander kiesstelsel de volatiliteit bewust te vergroten. Er werd met jaloezie gekeken naar het Britse districtenstelsel, of gefilosofeerd over een ander stelsel dat de grootste partij zou belonen met een extra bonus. De CPN reageerde daarop met de brochure Kiezen of knoeien.

Kiezers beslissen

Terwijl de confessionele partijen tot afgrijzen van de PvdA in die tijd stabiel bleven, waren het de kiezers van de PvdA zelf die andere keuzes gingen maken, waardoor de PvdA in de jaren zestig gevoelige verliezen leed. Later werd dat goed gemaakt doordat kiezers van de confessionele partijen overgingen naar de PvdA, waardoor die partij in 1977 en 1986 electorale hoogtepunten beleefde. Daarna was het uit met de pret omdat de leiding van de PvdA koos voor een rechtsere koers waarmee men veel kiezers van zich vervreemdde.
Terugkijkend moeten we ons afvragen of de verstarring van de eerste decennia na de oorlog nu echt zo afschuwelijk was, of dat het een zegenrijke stabiliteit betekende waar we nu alleen nog maar met jaloezie naar kunnen kijken. We kunnen daar lang over discussiëren, maar de uitkomst van die discussie bepaalt niet wat er in de realiteit gebeurt. Het zijn individuele kiezers die elke keer beslissen of ze op dezelfde partij stemmen als de vorige keer, en de gevolgen daarvan voor de stabiliteit van het systeem zijn daaraan ondergeschikt.

----------

De illustratie is van Han Busstra.

© 2024 Paul Bordewijk
powered by CJ2