archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 6
Jaargang 4
18 januari 2007
Beschouwingen > Een rustig mens delen printen terug
Aleid Wolfsen bedwingt de overheid Frits Hoorweg

0405BS Mens
Op 27 juni 2006 werd een bijzondere wet door de Tweede Kamer aanvaard. De Eerste Kamer moet zich er nog over buigen maar alles wijst erop dat die het voorbeeld van de Tweede Kamer zal volgen. De Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt om meerdere redenen bijzonder. Deze keer is het nu eens niet de burger die een boete in het vooruitzicht wordt gesteld bij het niet naleven van een of ander gebod, maar de overheid zelf. In zo’n geval heet dat dan geen boete maar een dwangsom, die kan worden opgeëist als de overheid de wettelijk gestelde termijnen bij een aanvraag of een bezwaarschrift overschrijdt. En, ongetwijfeld samenhangend daarmee, het voorstel om dit bij wet te regelen werd niet door de regering ingediend, maar door twee kamerleden, een van de VVD (Luchtenveld) en een van de PvdA (Wolfsen). De laatstgenoemde is nog altijd kamerlid en ik vroeg hem hoe het zo gekomen was.

‘Nou eigenlijk enigszins toevallig. We zaten na de verkiezingen van 2002, toen ik in de kamer kwam, met de nieuwe fractie bijeen om het werk te verdelen. Er waren nogal wat onderwerpen waar niet meteen een voor de hand liggende specialist voor was. De fractie was nogal ingedikt. Op een gegeven moment werd er geroepen: “wie doet het jaarverslag van de ombudsman?” En toen heb ik mijn vinger opgestoken. Het onderwerp interesseerde mij natuurlijk wel. Als rechter (voor 23 mei 2002 was Aleid Wolfsen vice-president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem) heb je te maken met aanverwante zaken. Maar als iemand het al in zijn portefeuille had gehad, was het niet in mij opgekomen om dit onderwerp te claimen.

Het werd mijn maidenspeech. Dat is ook wel weer een enigszins toevallige bijzonderheid. Er wordt met extra aandacht naar je geluisterd en je zet je beste beentje voor. Bij bestudering van het verslag viel het mij op dat de meeste klachten van burgers te maken hadden met de traagheid van de overheid, het herhaaldelijk overschrijden van wettelijke of zelf gestelde termijnen. Daar ontstaat meer irritatie over dan over de beslissingen als zodanig. En dat is toch opmerkelijk, want die kunnen natuurlijk minder prettig uitvallen, maar dat accepteert men in het algemeen wel. De ombudsman besteedde daar zelf veel aandacht aan in het rapport en vergeleek de cijfers met voorgaande jaren. Ik hoefde eigenlijk niet meer te doen dan het materiaal uit het rapport te lichten. Ja, en daar werd nogal leuk op gereageerd, zowel door collega-kamerleden als door de minister (Remkes). Als het u interesseert moet u het maar nalezen.’

Dat deed ik en daarbij vielen mij een paar dingen op. Om te beginnen was Wolfsen de enige die dit onderwerp eruit lichtte als zijnde hèt onderwerp. En hij deed dat met een retoriek die voor een kersvers kamerlid opmerkelijk is. Ik geef een paar citaten:
“Laat ik nu eens goed beginnen, dacht ik zelf, en niet onmiddellijk spreken over percentages, marginale verbeteringen of verslechteringen en individuele klachten. ….. Nee, zo dacht ik, laat ik maar eens direct ter zake komen met de kern van het jaarverslag: de voortvarendheid van de overheid of, beter gezegd, het gebrek daaraan.”
“De termijnen in de Algemene wet bestuursrecht zijn scherp en duidelijk. Natuurlijk zal de minister zeggen dat er zeer goed werkende voortgangsbewakingssystemen zijn binnen de overheid; dat er werkgroepen zijn voor dit probleem; dat er waarschijnlijk wekelijks een cultuuromslagclub start; dat er vaak vele parafen nodig zijn voordat iets de deur uit kan; dat er relevante wetgeving in voorbereiding is; dat allerlei certificeringsslagen gaande zijn. Gecertificeerd te laat is echter ook te laat.”

Aan het slot van zijn verhaal introduceerde Wolfsen meteen al het idee om financiële prikkels in te bouwen om de overheid te stimuleren zich wel aan de wettelijke termijnen te houden.
“Als je je belastingformulier te laat invult, moet je een invorderingsrente betalen; als de belastingdienst je te laat terugbetaalt, krijg je rente. Als je een vergunning aanvraagt, worden vaak hoge leges geheven. Dan mag je ook verwachten dat daarvoor goed wordt gepresteerd. Zo niet, geld terug, vinden wij.”
“Mocht het gaan om een handeling waarvoor geen leges kunnen worden geheven, ……, dan zien wij graag ….. dat die overheidsinstelling van rechtswege een bedrag verbeurt, 50 euro per werkdag, tot een maximum van 20 werkdagen.”

Wat mij verder opvalt is dat de bewondering van de voorzitter Weisglas (dezelfde dag in functie getreden!) doorklinkt in het verslag. “Ik feliciteer en complimenteer …. . Ik stel het op prijs als ik (…) ook in de gelegenheid wordt gesteld om hem te feliciteren.” De reactie van de minister is zoals ik het lees minder positief dan Wolfsen hem zich herinnert. Misschien komt dat doordat zijn ambtenaren nog wat aan de tekst hebben gesleuteld en er de voor hen scherpste kantjes af hebben gehaald. Uit mijn eigen ervaring als ambtenaar weet ik nog dat het zo wel eens lukte om een toezegging van de minister, in een opwelling gedaan, weet zo’n man veel, af te zwakken of zelfs te verdoezelen. Hij zegde volgens het verslag toe dat hij het zou “meenemen in de discussie over de nieuwe wetvoorstellen in het kader van de Algemene wet bestuursrecht.” Maar dergelijke verdwijntrucs lukken natuurlijk alleen als het betreffende kamerlid niet goed oplet, of zijn interesse in het onderwerp kwijt is, en daarvan was in dit geval geen sprake. (Let wel: hier ben ik aan het woord. Aleid Wolfsen zul je niet zo snel betrappen op dergelijk snierend taalgebruik. Gecertificeerd te laat is echter ook te laat, was voor hem echt een uitschieter.)

‘Een jaar later in 2003, opnieuw bij de behandeling van het jaarverslag van de ombudsman, ben ik er weer op terug gekomen; in de tussentijd was het onderwerp trouwens ook aan de orde geweest bij het verslag van de Algemene Rekenkamer. De minister deelde toen mee dat er niet echt iets aan gebeurd was, maar hij had wel een redelijk excuus. Het was de tijd geweest van het eerste kabinet Balkenende en toen waren er zoveel dingen geweest die de aandacht hadden afgeleid. Maar in 2004 was er nog geen voortgang van betekenis en toen hebben we gezegd: nu gaan we zelf iets doen. Het was al duidelijk dat de VVD in was voor een initiatief op dit gebied. De fractievoorzitter van de VVD in de Eerste Kamer had bij de Algemene Politieke Beschouwingen aan de overkant gezegd dat hij het geheel met mij eens was. Er is ook nog met het CDA gesproken maar daar heeft men meer de houding van wat de overheid doet is welgedaan. Daar had men niet zo’n behoefte aan een kamerinitiatief. Dus heb ik het samen met de heer Luchtenveld gedaan.

Ja, het is echt een ontzettende klus. Om te beginnen moet je hier in de kamer praten over de te kiezen aanpak. Specialisten moeten worden geraadpleegd. Je moet de hele molen door. Al die dingen doen waar de ministeries wetgevingsafdelingen voor hebben. Het ontwerp gaat via de Koningin naar de Raad van State. Bij het advies van de Raad moet commentaar worden gegeven en dan krijg je de commissiebehandeling in de Kamer. Schriftelijke vragen, mondelinge behandeling, plenaire behandeling, moties. Leerzaam, interessant ja, maar heel zwaar. Vooral toen de Minister van Justitie halverwege ineens op de proppen kwam met een eigen wet op dit gebied. Dat was iets dat al jaren door zijn ministerie zwierf, maar nooit tot de indiening van een ontwerp had geleid. Hij was er eigenlijk niet zo voor, denk ik, maar geconfronteerd met ons voorstel vond hij het ontwerp van zijn ambtenaren toch ineens beter. Het behelsde de mogelijkheid om beroep bij de rechter in te stellen als er niet tijdig beslist wordt. Wat moesten we daar dan toch weer mee? Uiteindelijk hebben we voorgesteld om de twee ontwerpen in elkaar te schuiven. Dat is aanvaard. Nu ligt er een ontwerp bij de Eerste Kamer dat de burger de keuze biedt: een dwangsom eisen of beroep instellen. Volgens mij is dat uiteindelijk wel een mooie uitkomst.

Gaat het ook werken? Ik denk het wel. Kijk overheidsorganen, bijvoorbeeld de gemeente, moeten dadelijk op hun begroting en in hun financieel verslag geld gaan opvoeren om hun dwangsommen te betalen. Nou ik denk dat de gemeenteraden van Nederland zeer nauwlettend op de omvang van die posten gaan letten. Ja, burgers moeten eraan wennen en de weg weten te vinden, maar ik vermoed dat er genoeg consumenten- en cliëntenorganisaties zijn om hen op weg te helpen. Bovendien hebben mensen van goede wil binnen overheidsorganisaties nu een middel om aandacht hiervoor te vragen. Ik heb gehoord dat Rotterdam bijvoorbeeld besloten heeft om de wet nu al, vrijwillig, in te voeren. De anderen hebben de tijd tot 1 januari 2009, dan wordt het verplicht, als de Eerste Kamer het ontwerp goedkeurt.’
 
**********************************************
Uitgave van De Leunstoel wordt mede mogelijk
gemaakt door donaties van:
Barbara Muller, Katharina Kouwenhoven, Hans Meijer,
Ruurd Kunnen, Beer Meijer, Carlo van Praag, J.Bakker,
Evelien Polter, Aimée Waasdorp en Frits Hoorweg.


© 2007 Frits Hoorweg meer Frits Hoorweg - meer "Een rustig mens" -
Beschouwingen > Een rustig mens
Aleid Wolfsen bedwingt de overheid Frits Hoorweg
0405BS Mens
Op 27 juni 2006 werd een bijzondere wet door de Tweede Kamer aanvaard. De Eerste Kamer moet zich er nog over buigen maar alles wijst erop dat die het voorbeeld van de Tweede Kamer zal volgen. De Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt om meerdere redenen bijzonder. Deze keer is het nu eens niet de burger die een boete in het vooruitzicht wordt gesteld bij het niet naleven van een of ander gebod, maar de overheid zelf. In zo’n geval heet dat dan geen boete maar een dwangsom, die kan worden opgeëist als de overheid de wettelijk gestelde termijnen bij een aanvraag of een bezwaarschrift overschrijdt. En, ongetwijfeld samenhangend daarmee, het voorstel om dit bij wet te regelen werd niet door de regering ingediend, maar door twee kamerleden, een van de VVD (Luchtenveld) en een van de PvdA (Wolfsen). De laatstgenoemde is nog altijd kamerlid en ik vroeg hem hoe het zo gekomen was.

‘Nou eigenlijk enigszins toevallig. We zaten na de verkiezingen van 2002, toen ik in de kamer kwam, met de nieuwe fractie bijeen om het werk te verdelen. Er waren nogal wat onderwerpen waar niet meteen een voor de hand liggende specialist voor was. De fractie was nogal ingedikt. Op een gegeven moment werd er geroepen: “wie doet het jaarverslag van de ombudsman?” En toen heb ik mijn vinger opgestoken. Het onderwerp interesseerde mij natuurlijk wel. Als rechter (voor 23 mei 2002 was Aleid Wolfsen vice-president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem) heb je te maken met aanverwante zaken. Maar als iemand het al in zijn portefeuille had gehad, was het niet in mij opgekomen om dit onderwerp te claimen.

Het werd mijn maidenspeech. Dat is ook wel weer een enigszins toevallige bijzonderheid. Er wordt met extra aandacht naar je geluisterd en je zet je beste beentje voor. Bij bestudering van het verslag viel het mij op dat de meeste klachten van burgers te maken hadden met de traagheid van de overheid, het herhaaldelijk overschrijden van wettelijke of zelf gestelde termijnen. Daar ontstaat meer irritatie over dan over de beslissingen als zodanig. En dat is toch opmerkelijk, want die kunnen natuurlijk minder prettig uitvallen, maar dat accepteert men in het algemeen wel. De ombudsman besteedde daar zelf veel aandacht aan in het rapport en vergeleek de cijfers met voorgaande jaren. Ik hoefde eigenlijk niet meer te doen dan het materiaal uit het rapport te lichten. Ja, en daar werd nogal leuk op gereageerd, zowel door collega-kamerleden als door de minister (Remkes). Als het u interesseert moet u het maar nalezen.’

Dat deed ik en daarbij vielen mij een paar dingen op. Om te beginnen was Wolfsen de enige die dit onderwerp eruit lichtte als zijnde hèt onderwerp. En hij deed dat met een retoriek die voor een kersvers kamerlid opmerkelijk is. Ik geef een paar citaten:
“Laat ik nu eens goed beginnen, dacht ik zelf, en niet onmiddellijk spreken over percentages, marginale verbeteringen of verslechteringen en individuele klachten. ….. Nee, zo dacht ik, laat ik maar eens direct ter zake komen met de kern van het jaarverslag: de voortvarendheid van de overheid of, beter gezegd, het gebrek daaraan.”
“De termijnen in de Algemene wet bestuursrecht zijn scherp en duidelijk. Natuurlijk zal de minister zeggen dat er zeer goed werkende voortgangsbewakingssystemen zijn binnen de overheid; dat er werkgroepen zijn voor dit probleem; dat er waarschijnlijk wekelijks een cultuuromslagclub start; dat er vaak vele parafen nodig zijn voordat iets de deur uit kan; dat er relevante wetgeving in voorbereiding is; dat allerlei certificeringsslagen gaande zijn. Gecertificeerd te laat is echter ook te laat.”

Aan het slot van zijn verhaal introduceerde Wolfsen meteen al het idee om financiële prikkels in te bouwen om de overheid te stimuleren zich wel aan de wettelijke termijnen te houden.
“Als je je belastingformulier te laat invult, moet je een invorderingsrente betalen; als de belastingdienst je te laat terugbetaalt, krijg je rente. Als je een vergunning aanvraagt, worden vaak hoge leges geheven. Dan mag je ook verwachten dat daarvoor goed wordt gepresteerd. Zo niet, geld terug, vinden wij.”
“Mocht het gaan om een handeling waarvoor geen leges kunnen worden geheven, ……, dan zien wij graag ….. dat die overheidsinstelling van rechtswege een bedrag verbeurt, 50 euro per werkdag, tot een maximum van 20 werkdagen.”

Wat mij verder opvalt is dat de bewondering van de voorzitter Weisglas (dezelfde dag in functie getreden!) doorklinkt in het verslag. “Ik feliciteer en complimenteer …. . Ik stel het op prijs als ik (…) ook in de gelegenheid wordt gesteld om hem te feliciteren.” De reactie van de minister is zoals ik het lees minder positief dan Wolfsen hem zich herinnert. Misschien komt dat doordat zijn ambtenaren nog wat aan de tekst hebben gesleuteld en er de voor hen scherpste kantjes af hebben gehaald. Uit mijn eigen ervaring als ambtenaar weet ik nog dat het zo wel eens lukte om een toezegging van de minister, in een opwelling gedaan, weet zo’n man veel, af te zwakken of zelfs te verdoezelen. Hij zegde volgens het verslag toe dat hij het zou “meenemen in de discussie over de nieuwe wetvoorstellen in het kader van de Algemene wet bestuursrecht.” Maar dergelijke verdwijntrucs lukken natuurlijk alleen als het betreffende kamerlid niet goed oplet, of zijn interesse in het onderwerp kwijt is, en daarvan was in dit geval geen sprake. (Let wel: hier ben ik aan het woord. Aleid Wolfsen zul je niet zo snel betrappen op dergelijk snierend taalgebruik. Gecertificeerd te laat is echter ook te laat, was voor hem echt een uitschieter.)

‘Een jaar later in 2003, opnieuw bij de behandeling van het jaarverslag van de ombudsman, ben ik er weer op terug gekomen; in de tussentijd was het onderwerp trouwens ook aan de orde geweest bij het verslag van de Algemene Rekenkamer. De minister deelde toen mee dat er niet echt iets aan gebeurd was, maar hij had wel een redelijk excuus. Het was de tijd geweest van het eerste kabinet Balkenende en toen waren er zoveel dingen geweest die de aandacht hadden afgeleid. Maar in 2004 was er nog geen voortgang van betekenis en toen hebben we gezegd: nu gaan we zelf iets doen. Het was al duidelijk dat de VVD in was voor een initiatief op dit gebied. De fractievoorzitter van de VVD in de Eerste Kamer had bij de Algemene Politieke Beschouwingen aan de overkant gezegd dat hij het geheel met mij eens was. Er is ook nog met het CDA gesproken maar daar heeft men meer de houding van wat de overheid doet is welgedaan. Daar had men niet zo’n behoefte aan een kamerinitiatief. Dus heb ik het samen met de heer Luchtenveld gedaan.

Ja, het is echt een ontzettende klus. Om te beginnen moet je hier in de kamer praten over de te kiezen aanpak. Specialisten moeten worden geraadpleegd. Je moet de hele molen door. Al die dingen doen waar de ministeries wetgevingsafdelingen voor hebben. Het ontwerp gaat via de Koningin naar de Raad van State. Bij het advies van de Raad moet commentaar worden gegeven en dan krijg je de commissiebehandeling in de Kamer. Schriftelijke vragen, mondelinge behandeling, plenaire behandeling, moties. Leerzaam, interessant ja, maar heel zwaar. Vooral toen de Minister van Justitie halverwege ineens op de proppen kwam met een eigen wet op dit gebied. Dat was iets dat al jaren door zijn ministerie zwierf, maar nooit tot de indiening van een ontwerp had geleid. Hij was er eigenlijk niet zo voor, denk ik, maar geconfronteerd met ons voorstel vond hij het ontwerp van zijn ambtenaren toch ineens beter. Het behelsde de mogelijkheid om beroep bij de rechter in te stellen als er niet tijdig beslist wordt. Wat moesten we daar dan toch weer mee? Uiteindelijk hebben we voorgesteld om de twee ontwerpen in elkaar te schuiven. Dat is aanvaard. Nu ligt er een ontwerp bij de Eerste Kamer dat de burger de keuze biedt: een dwangsom eisen of beroep instellen. Volgens mij is dat uiteindelijk wel een mooie uitkomst.

Gaat het ook werken? Ik denk het wel. Kijk overheidsorganen, bijvoorbeeld de gemeente, moeten dadelijk op hun begroting en in hun financieel verslag geld gaan opvoeren om hun dwangsommen te betalen. Nou ik denk dat de gemeenteraden van Nederland zeer nauwlettend op de omvang van die posten gaan letten. Ja, burgers moeten eraan wennen en de weg weten te vinden, maar ik vermoed dat er genoeg consumenten- en cliëntenorganisaties zijn om hen op weg te helpen. Bovendien hebben mensen van goede wil binnen overheidsorganisaties nu een middel om aandacht hiervoor te vragen. Ik heb gehoord dat Rotterdam bijvoorbeeld besloten heeft om de wet nu al, vrijwillig, in te voeren. De anderen hebben de tijd tot 1 januari 2009, dan wordt het verplicht, als de Eerste Kamer het ontwerp goedkeurt.’
 
**********************************************
Uitgave van De Leunstoel wordt mede mogelijk
gemaakt door donaties van:
Barbara Muller, Katharina Kouwenhoven, Hans Meijer,
Ruurd Kunnen, Beer Meijer, Carlo van Praag, J.Bakker,
Evelien Polter, Aimée Waasdorp en Frits Hoorweg.
© 2007 Frits Hoorweg
powered by CJ2